Tafseer van De Familie van Imraan · Aal-i-Imraan · 3:10
Voorwaar, degenen die ongelovig zijn: hun eigendommen, noch hun nakomelingen zullen hun baten tegen (de bestraffing) van Allah en zij zijn brandstof voor de Hel.
Bespreking van de uitleg van Zijn woord: "Voorwaar, degenen die ongelovig zijn — hun bezittingen noch hun kinderen zullen hun ook maar iets baten tegen Allah, en zij zijn de brandstof van het Vuur" (3:10)
Abū Jaʿfar zei: Hij, verheven is Zijn lof, bedoelt met Zijn woord "Voorwaar, degenen die ongelovig zijn": voorwaar, degenen die de waarheid hebben ontkend die zij reeds hadden herkend — namelijk het profeetschap van Mohammed ﷺ — onder de joden van de Banū Isrāʾīl en hun hypocrieten (munāfiqīn), en de hypocrieten en ongelovigen onder de Arabieren, degenen in wier harten afwijking is, zodat zij van het Boek van Allah het meerduidige volgen, daarmee beproeving (fitna) en zijn eigenmachtige uitleg nastrevend = "hun bezittingen noch hun kinderen zullen hun ook maar iets baten tegen Allah", waarmee Hij bedoelt dat hun bezittingen en hun kinderen hen niet zullen redden van de bestraffing van Allah, indien Hij die over hen doet neerdalen — onmiddellijk in deze wereld, vanwege hun loochening van de waarheid nadat die hun duidelijk was geworden,
en hun navolging van het meerduidige, daarmee verwarring zoekend — zodat die [bezittingen en kinderen] die [bestraffing] van hen zouden afwenden; maar zij baten hun daarvan niets, en in het Hiernamaals zijn zij = "de brandstof van het Vuur", waarmee Hij bedoelt: het brandhout daarvan.
________________________________
De voetnoten:
(1) In de gedrukte editie staat "nadat zij bevestigd waren", wat geen betekenis heeft. In het handschrift staat "bevestiging" zonder diakritische punten, en wat ik heb vastgesteld is de juiste lezing ervan.
(2) Zie de uitleg van "al-wuqūd" (de brandstof) in wat eerder behandeld is, 1: 380.