Tafseer van Het Verhaal · Al-Qasas · 28:79
Toen begaf hij zich onder zijn volk, in vol ornaat. Degenen die het wereldse leven wensten, zeiden: "Hadden wij maar zoveel als Qârôen gegeven is. Voorwaar, hij is zeker een man die gewuldig geluk heeft."
De uitleg van Zijn woord, de Verhevene: فَخَرَجَ عَلَى قَوْمِهِ فِي زِينَتِهِ قَالَ الَّذِينَ يُرِيدُونَ الْحَيَاةَ الدُّنْيَا يَا لَيْتَ لَنَا مِثْلَ مَا أُوتِيَ قَارُونُ إِنَّهُ لَذُو حَظٍّ عَظِيمٍ (79) ("Toen trad hij in zijn pracht voor zijn volk naar buiten. Degenen die het wereldse leven begeerden, zeiden: 'Hadden wij maar het gelijke van wat aan Qārūn is gegeven; voorwaar, hij bezit een geweldig deel.'") (28:79)
De Verhevene, wiens lof verheven is, zegt: Toen trad Qārūn in zijn pracht voor zijn volk naar buiten, en dat waren — naar wat overgeleverd is — gewaden van purper (arjuwān).
* Vermelding van wie dat zei:
Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: Ṭalḥa ibn ʿAmr heeft ons verteld, op gezag van Abū l-Zubayr, op gezag van Jābir: "Toen trad hij in zijn pracht voor zijn volk naar buiten", hij zei: in karmozijnrood (qirmiz).
Hij zei: ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van ʿUthmān ibn al-Aswad, op gezag van Mujāhid: "Toen trad hij in zijn pracht voor zijn volk naar buiten", hij zei: in rode gewaden.
Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: Abū Khālid al-Aḥmar heeft ons verteld, op gezag van ʿUthmān ibn al-Aswad, op gezag van Mujāhid: "Toen trad hij in zijn pracht voor zijn volk naar buiten", hij zei: op witte pakpaarden, waarop purperen zadels lagen, en zij droegen met saffloer geverfde [gele] kleding.
Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: Al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, op gezag van Mujāhid: "Toen trad hij in zijn pracht voor zijn volk naar buiten", hij zei: hij had twee met saffloer geverfde gewaden aan.
En Ibn Jurayj zei: op een grijswit muildier waarop purper lag, met driehonderd slavinnen (jāriya) op de grijswitte muildieren, die rode gewaden droegen.
Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: mijn vader en Yaḥyā ibn Yamān hebben mij verteld, op gezag van Mubārak, op gezag van al-Ḥasan: "Toen trad hij in zijn pracht voor zijn volk naar buiten", hij zei: in rode en gele gewaden.
Ibn al-Muthannā heeft ons verteld, hij zei: Muḥammad ibn Jaʿfar heeft ons verteld, hij zei: Shuʿba heeft ons verteld, op gezag van Simāk, dat hij Ibrāhīm al-Nakhaʿī hoorde zeggen over dit vers: "Toen trad hij in zijn pracht voor zijn volk naar buiten", hij zei: in rode gewaden.
Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld, hij zei: Shuʿba heeft ons verteld, op gezag van Simāk, op gezag van Ibrāhīm al-Nakhaʿī, met dezelfde strekking.
Ibn Wakīʿ heeft ons verteld, hij zei: Ghundar heeft ons verteld, hij zei: Shuʿba heeft ons verteld, op gezag van Simāk, op gezag van Ibrāhīm, met dezelfde strekking.
Muḥammad ibn ʿAmr ibn ʿAlī al-Muqaddamī heeft ons verteld, hij zei: Ismāʿīl ibn Ḥakīm heeft ons verteld, hij zei: Wij gingen op een avond bij Mālik ibn Dīnār naar binnen, en zie, hij was bezig Qārūn te gedenken. Hij zei: En zie, een man van zijn buren had met saffloer geverfde gewaden aan. Hij zei: Toen zei Mālik: "Toen trad hij in zijn pracht voor zijn volk naar buiten", hij zei: in gewaden zoals de gewaden van deze man.
Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: "Toen trad hij in zijn pracht voor zijn volk naar buiten" — ons werd verteld dat zij naar buiten traden op vierduizend rijdieren, terwijl zij zelf en hun rijdieren purper droegen.
Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei over Zijn woord: "Toen trad hij in zijn pracht voor zijn volk naar buiten", hij zei: hij trad naar buiten te midden van zeventigduizend man, die met saffloer geverfde kleding droegen — naar wat mijn vader ons placht te vertellen.
"Degenen die het wereldse leven begeerden, zeiden: 'Hadden wij maar het gelijke van wat aan Qārūn is gegeven.'" De Verhevene, wiens lof verheven is, zegt: degenen onder Qārūns volk die de pracht van het wereldse leven begeerden, zeiden: hadden wij maar het gelijke gekregen van de pracht ervan die aan Qārūn gegeven is; "voorwaar, hij bezit een geweldig deel". Hij zegt: voorwaar, Qārūn bezit een geweldig aandeel van het wereldse.