Tafseer van De Mier · An-Naml · 27:52
Dat zijn nu hun huizen, tot ruïnes geworden, omdat zij onrecht pleegden. Voorwaar, daarin is zeker een Teken voor een volk dat begrijpt.
Allah, verheven is Zijn gedachtenis, bedoelt met Zijn woord فَتِلْكَ بُيُوتُهُمْ خَاوِيَةً ('dit zijn hun huizen, leeg en verlaten'): dit zijn hun woningen, leeg en verlaten door hen, er is niemand meer van hen in; Allah heeft hen vernietigd en verdelgd. بِمَا ظَلَمُوا ('vanwege het onrecht dat zij begingen'): Allah, verheven is Zijn gedachtenis, zegt: vanwege het onrecht dat zij zichzelf aandeden door het toekennen van deelgenoten aan Allah (shirk) en het loochenen van hun gezant. إِنَّ فِي ذَلِكَ لآيَةً لِقَوْمٍ يَعْلَمُونَ ('daarin is waarlijk een teken voor een volk dat kennis heeft'): Allah, verheven is Zijn gedachtenis, zegt: in Ons handelen jegens Thamūd — zoals Wij u, o Muḥammad, het verhaal hebben verteld — is een vermaning voor wie weet wat Wij met hen hebben gedaan, van uw volk dat u loochent in wat u hen hebt gebracht van uw Heer, en een les.