Tafseer van De Dichters · Ash-Shu'araa · 26:71
Zij zeiden: "Wij aanbidden afgoden en wij zullen hen blijven aanbidden."
قَالُوا نَعْبُدُ أَصْنَامًا فَنَظَلُّ لَهَا عَاكِفِينَ (zij zeiden: "Wij aanbidden afgoden en blijven hen voortdurend dienen") — Hij zegt: en wij verblijven als dienaren bij hen, voortdurend in hun dienst en aanbidding.
Wij hebben de betekenis van al-ʿukūf (verblijf, toewijding) met haar bewijsplaatsen reeds eerder uiteengezet, op een wijze die het overbodig maakt het hier te herhalen.
Ibn ʿAbbās zei — naar wat van hem wordt overgeleverd — het volgende omtrent de betekenis hiervan; zo heeft Al-Qāsim ons verteld, hij zei: Al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, die zei: Ibn ʿAbbās zei over het woord: قَالُوا نَعْبُدُ أَصْنَامًا فَنَظَلُّ لَهَا عَاكِفِينَ — hij zei: Het gebed voor hun afgoden.