Tafseer van De Dichters · Ash-Shu'araa · 26:34
Hij (Fir'aun) zei tegen de vooraanstaanden rondom hem: "Voorwaar, dit is zeker een bekwame tovenaar.
De Verhevene in Zijn gedachtenis zegt: de Farao zei, nadat Mozes hem de geweldige macht van Allah en Zijn heerschappij had getoond als bewijs jegens hem voor de werkelijkheid van wat hij hem opriep te geloven en voor de waarachtigheid van wat hij hem vanwege zijn Heer had gebracht, لِلْمَلَإِ حَوْلَهُ (tot de vooraanstaanden om hem heen) — dat wil zeggen: tot de edelen van zijn volk die om hem heen waren — إِنَّ هَذَا لَسَاحِرٌ عَلِيمٌ (Waarlijk, deze is een zeer bedreven tovenaar) — Hij zei: Mozes heeft zijn staf betoverd zodat hij hem als een slang aan u liet zien. عَلِيمٌ — Hij zei: bedreven in toverij en daarin inzicht hebbend. يُرِيدُ أَنْ يُخْرِجَكُمْ مِنْ أَرْضِكُمْ بِسِحْرِهِ (hij wil u uit uw land verdrijven met zijn toverij) — Hij zei: hij wil de kinderen van Israël uit uw land naar Syrië verdrijven door u met toverij te overwinnen.