Tafseer van De Dichters · Ash-Shu'araa · 26:104
En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige.
En waarlijk, uw Heer, o Muḥammad, is degene Die streng vergeldt jegens wie naast Hem iets aanbadt en vervolgens niet berouw toonde van zijn ongeloof totdat hij stierf — en Die barmhartig (raḥīm) is jegens wie van hen berouw toont, in die zin dat Hij hem niet straft voor de zonde en het misdrijf dat hij vóór zijn berouw heeft begaan.