Tafseer van De Bedevaart · Al-Hajj · 22:42
En wanneer zij jou loochenen (O Moehammad): waarlijk, het volk van Nôeh en de 'Âd en de Tsamôed loochenden (hun Profeten) vóór hen.
Allah, verheven zij Zijn gedachtenis, zegt — terwijl Hij Zijn Profeet Muḥammad ﷺ troost over het leed dat de polytheïsten hem aandoen, en hem aanspoort tot geduld bij wat zij hem aan beledigingen en leugenverklaringen toebrengen: Als deze polytheïsten jou, o Muḥammad, logenstraffen in wat jij hen hebt gebracht aan waarheid en bewijs, en in wat jij hun belooft aan bestraffing wegens hun ongeloof in Allah — dan is dat de gewoonte van hun broeders onder de vroegere volkeren die de boodschappers van Allah hebben gelogengesproken en Allah deelgenoten hebben toegekend, en hun levenswijze van vroeger. Laat dat jou dan niet tegenhouden, want de vernederende bestraffing wacht hen achter hun rug, en Mijn overwinning — die Ik jou en jouw volgelingen zal schenken over hen — komt hen van achter dat tegemoet, net zoals Mijn bestraffing over hun voorgangers uit de vroegere volkeren neerkwam na uitstel tot het bereiken van de bepaalde termijnen. Vóór hen — dat wil zeggen vóór de polytheïsten van Quraysh — heeft al gelogengesproken: het volk van Nūḥ, het volk van ʿĀd, en Thamūd.