Tabari
Terug naar surah 2, ayah 90

Tafseer van De Koe · Al-Baqara · 2:90

بِئْسَمَا ٱشْتَرَوْا۟ بِهِۦٓ أَنفُسَهُمْ أَن يَكْفُرُوا۟ بِمَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ بَغْيًا أَن يُنَزِّلَ ٱللَّهُ مِن فَضْلِهِۦ عَلَىٰ مَن يَشَآءُ مِنْ عِبَادِهِۦ ۖ فَبَآءُو بِغَضَبٍ عَلَىٰ غَضَبٍۢ ۚ وَلِلْكَٰفِرِينَ عَذَابٌۭ مُّهِينٌۭ

Slecht is het, waarvoor zij hun zielen verkocht hebben; dat zij niet geloven in wat Allah heeft neergezonden; uit afgunst, dat Allah zijn gunst neerzendt tot wie hij wil van zijn dienaren. Zo wender zij zich van toorn tot toorn. En voor de ongelovigen is er een vernederende bestraffing.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De uitleg van de woorden van de Verhevene: بِئْسَمَا اشْتَرَوْا بِهِ أَنْفُسَهُمْ أَنْ يَكْفُرُوا بِمَا أَنْزَلَ اللَّهُ بَغْيًا

    (Slecht is dat waarvoor zij hun zielen verkochten: dat zij verwerpen wat Allah heeft neergezonden, uit opstandigheid) (2:90)

    Abū Jaʿfar zei: De betekenis van Zijn woorden, verheven is Zijn lof: biʾsa mā ishtaraw bihi anfusahum (slecht is dat waarvoor zij hun zielen verkochten) is: slecht is dat waarvoor zij hun zielen verkochten.

    * * *

    De oorsprong van "biʾsa" is "baʾisa", afgeleid van "al-buʾs" (ellende, kommer). De hamza ervan werd geloosd (gesloten, zonder klinker), en vervolgens werd haar klinker overgebracht naar de "bāʾ", zoals men bij "ẓaliltu" "ẓaltu" zegt, en zoals men "kibd" zegt voor "al-kabid" (de lever) — waarbij de klinker van de "bāʾ" werd overgebracht naar de "kāf" toen de "bāʾ" zonder klinker kwam te staan.

    Het is ook mogelijk dat "biʾsa" — al is haar oorsprong "baʾisa" — behoort tot het taalgebruik van hen die de klinker van de ʿayn (de middelste radicaal) van het werkwoordpatroon "faʿila" overbrengen naar de fāʾ (de eerste radicaal), wanneer de middelste radicaal van het werkwoord een van de zes keelklanken is. Zo zeiden zij van "laʿiba" "liʿb", en van "saʾima" "siʾm", en dat is — zoals gezegd wordt — een wijdverbreid taalgebruik bij de stam Tamīm.

    Vervolgens werd het [woord biʾsa] gemaakt tot iets wat berisping en afkeuring uitdrukt, en het werd verbonden met "mā".

    De Arabische taalkundigen verschilden van mening over de betekenis van de "mā" die met "biʾsamā" verbonden is. Sommige grammatici van Basra zeiden: zij [mā] is op zichzelf een zelfstandig naamwoord, en "an yakfurū" is daarvan de nadere bepaling (tafsīr), vergelijkbaar met "niʿma rajulan Zayd" (welk een voortreffelijke man is Zayd!), en an yunazzila llāhu (dat Allah neerzendt) is een vervanging (badal) voor "anzala llāhu" (Allah heeft neergezonden).

    Sommige grammatici van Kūfa zeiden: de betekenis daarvan is: slecht is de zaak waarvoor zij hun zielen verkochten, namelijk dat zij verwerpen. Dus is "mā" het zelfstandig naamwoord [onderwerp] van "biʾsa", en "an yakfurū" het tweede zelfstandig naamwoord. Hij stelde dat je "an yakfurū", indien je dat wenst, in de nominatief (rafʿ) kunt plaatsen, en indien je dat wenst, in de genitief (khafḍ). Wat de nominatief betreft: "slecht is deze zaak die zij doen". En wat de genitief betreft: "slecht is de zaak waarvoor zij hun zielen verkochten, namelijk dat zij verwerpen wat Allah heeft neergezonden, uit opstandigheid". Hij zei: en Zijn woorden laʾbiʾsa mā qaddamat lahum anfusuhum an sakhiṭa llāhu ʿalayhim (waarlijk slecht is dat wat hun zielen voor hen vooruit gezonden hebben, namelijk dat Allah toornig op hen is) [Surah Al-Māʾidah: 80] zijn van gelijke aard. De Arabieren maken "mā" op zichzelf in deze categorie gelijk aan een volledig zelfstandig naamwoord, zoals in Zijn woorden fa-niʿimmā hiya (hoe voortreffelijk is dat!) [Surah Al-Baqarah: 271], en "biʾsamā anta" (hoe slecht ben jij). Hij voerde als bewijs voor deze uitspraak een rajaz-vers aan van een van de rajaz-dichters:

    "Haast u beiden niet in de tocht, en leid haar [de kameel] zachtjes,

    waarlijk slecht is traagheid, en wij verwaarlozen haar niet."

    Abū Jaʿfar zei: De Arabieren zeggen "laʾbiʾsamā tazwīj wa-lā mahr" (hoe slecht een huwelijk en geen bruidsgeld!), waarbij zij "mā" op zichzelf maken tot zelfstandig naamwoord zonder relatieve bijzin (ṣila). Maar degene die deze uitspraak doet, staat niet toe dat dat wat op "biʾsa" volgt een bepaald, gedetermineerd zelfstandig naamwoord is met een bepaald, gedetermineerd predikaat. Hij heeft immers gesteld dat "biʾsamā" gelijk staat aan: "slecht is de zaak waarvoor zij hun zielen verkochten"; en zo is "mā" met haar relatieve bijzin een gedetermineerd zelfstandig naamwoord geworden, want "ishtaraw" (zij verkochten) is een verleden-tijdswerkwoord dat behoort tot de relatieve bijzin van "mā", volgens de uitspraak van degene die deze stelling verkondigt. En wanneer [mā] verbonden wordt met een werkwoord in de verleden tijd, dan is het een bepaald, gedetermineerd, gekend zelfstandig naamwoord, en dan wordt de uitleg van de uitspraak in dat geval: "slecht is hun verkoop, namelijk hun ongeloof (kufr)". En dat is volgens hem niet toegestaan: zo blijkt dus de ondeugdelijkheid van deze uitspraak.

    Een ander van hen stelde dat "an" in de genitief (khafḍ) staat indien je dat wenst, en in de nominatief (rafʿ) indien je dat wenst. Wat de genitief betreft: dat je het terugbrengt naar de "hāʾ" die in "bihi" (waarvoor) zit, bij wijze van herhaling over twee uitspraken, alsof je gezegd hebt: "zij verkochten hun zielen voor het ongeloof". En wat de nominatief betreft: dat het herhaald wordt over de positie van "mā" die op "biʾsa" volgt. Hij zei: en het is niet toegestaan dat het een nominatief is volgens jouw uitspraak: "slecht is de man ʿAbd Allāh".

    En sommigen van hen zeiden: "biʾsamā" is één geheel dat datgene wat erop volgt in de nominatief plaatst, zoals overgeleverd is van de Arabieren: "biʾsamā tazwīj wa-lā mahr" (hoe slecht een huwelijk en geen bruidsgeld), waarbij "biʾsamā" "tazwīj" in de nominatief plaatst, zoals men zegt "biʾsamā Zayd" en "biʾsa mā ʿAmr"; zo is "biʾsamā" in de nominatief op grond van de "hāʾ" die ernaar terugverwijst, alsof je gezegd hebt: "slecht een ding is de zaak waarvoor zij hun zielen verkochten", en "an" is dan een nadere toelichting (tarjama) van "biʾsamā".

    * * *

    De meest correcte van deze uitspraken is de uitspraak van hem die "biʾsamā" in de nominatief plaatst op grond van de terugverwijzing van de "hāʾ" in Zijn woorden "ishtaraw bihi" (zij verkochten daarvoor), zoals zij dat in de nominatief plaatsen op grond van "ʿAbd Allāh" wanneer zij zeggen "biʾsamā ʿAbd Allāh", en die "an yakfurū" maakt tot een nadere toelichting van "biʾsamā". De betekenis van de uitspraak wordt dan: slecht is de zaak waarvoor de joden hun zielen verkochten, namelijk hun ongeloof (kufr) in wat Allah heeft neergezonden, uit opstandigheid en afgunst, [namelijk] dat Allah van Zijn gunst neerzendt. En de "an" die in Zijn woorden an yunazzila llāhu (dat Allah neerzendt) staat, is in de accusatief (naṣb), want daarmee bedoelt Hij: "dat zij verwerpen wat Allah heeft neergezonden", omwille van het feit dat Allah van Zijn gunst neerzendt op wie Hij wil van Zijn dienaren. De positie van "an" is die van een aanduiding van reden (jazāʾ — d.w.z. mafʿūl li-ajlihi). Sommige Arabische taalkundigen van de Kūfanen stelden dat "an" in de genitief (khafḍ) staat door de impliciete aanwezigheid van de "bāʾ". Wij echter hebben voor haar de accusatief gekozen, vanwege de volledigheid van het predikaat dat eraan voorafgaat, en omdat er geen woord bij is dat de genitief regeert. En een woord dat de genitief regeert, regeert niet over een impliciet (weggelaten) element.

    * * *

    Wat betreft Zijn woorden "ishtaraw bihi anfusahum" (zij verkochten daarvoor hun zielen), daarmee bedoelt Hij: zij verkochten hun zielen, zoals:

    1534 — Mūsā ibn Hārūn heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: "biʾsamā ishtaraw bihi anfusahum" (slecht is dat waarvoor zij hun zielen verkochten), hij zegt: zij verkochten hun zielen "doordat zij verwerpen wat Allah heeft neergezonden, uit opstandigheid".

    1535 — Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥasan heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, die zei: Mujāhid zei: "biʾsamā ishtaraw bihi anfusahum" (slecht is dat waarvoor zij hun zielen verkochten), [dat zijn] de joden; zij ruilden de waarheid in voor de valsheid, en [zij verkozen] het verbergen van wat Muḥammad ﷺ bracht boven het verduidelijken ervan.

    Abū Jaʿfar zei: De Arabieren zeggen "sharaytuhu" in de betekenis van "ik heb het verkocht". En "ishtaraw" is op deze plaats de iftaʿala-vorm van "sharaytu". Het taalgebruik van de Arabieren — zoals ons bereikt heeft — is dat zij "sharaytu" zeggen in de betekenis van "ik heb verkocht", en "ishtaraytu" in de betekenis van "ik heb gekocht". En men zegt: de "shārī" wordt enkel "shārī" genoemd omdat hij zijn ziel en zijn wereldse leven verkoopt in ruil voor zijn hiernamaals.

    Daartoe behoort de uitspraak van Yazīd ibn Mufarrigh al-Ḥimyarī:

    "Ik heb Bard verkocht — was ik maar

    vóór [het verlies van] Bard een hāma (dode vogel) geweest."

    En daartoe behoort de uitspraak van al-Musayyab ibn ʿAlas:

    "Er wordt voor haar een prijs geboden, maar hij weigert haar,

    en haar eigenaar zegt: zul je niet verkopen?"

    Hij bedoelt daarmee: "ik heb Bard verkocht". En soms wordt "ishtaraytu" gebruikt in de betekenis van "ik heb verkocht", en "sharaytu" in de betekenis van "ik heb gekocht". Maar het wijdverbreide taalgebruik onder hen is dat wat ik beschreven heb.

    * * *

    Wat betreft de betekenis van Zijn woorden "baghyan" (uit opstandigheid), daarmee bedoelt Hij: uit overtreding en afgunst, zoals:

    1536 — Bishr ibn Muʿādh heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: "baghyan" (uit opstandigheid), hij zei: dat wil zeggen uit afgunst, en zij zijn de joden.

    1537 — Mūsā heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: "baghyan" (uit opstandigheid), hij zei: zij waren opstandig jegens Muḥammad ﷺ en benijdden hem, en zij zeiden: "De boodschappers kwamen toch enkel uit de kinderen van Israël; hoe komt het dan dat deze uit de kinderen van Ismāʿīl is?" Zo benijdden zij hem [om het feit] dat Allah van Zijn gunst neerzendt op wie Hij wil van Zijn dienaren.

    1538 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Ādam heeft ons verteld, hij zei: Abū Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van al-Rabīʿ, op gezag van Abū al-ʿĀliya: "baghyan" (uit opstandigheid), dat wil zeggen: uit afgunst dat Allah van Zijn gunst neerzendt op wie Hij wil van Zijn dienaren, en zij zijn de joden die verworpen wat aan Muḥammad ﷺ werd neergezonden.

    1539 — Mij is verteld op gezag van ʿAmmār ibn al-Ḥasan, hij zei: Ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van al-Rabīʿ, iets dergelijks.

    * * *

    Abū Jaʿfar zei: De betekenis van het vers is dus: slecht is de zaak waarvoor zij hun zielen verkochten, [namelijk] het ongeloof in dat wat Allah in Zijn Boek aan Mūsā heeft neergezonden — betreffende het profeetschap van Muḥammad ﷺ, en het gebod om hem voor waarachtig te houden en hem te volgen — omwille van het feit dat Allah van Zijn gunst neerzond — en Zijn gunst is: Zijn wijsheid, Zijn tekenen en Zijn profeetschap — op wie Hij wil van Zijn dienaren — daarmee bedoelt Hij: op Muḥammad ﷺ — uit opstandigheid en afgunst jegens Muḥammad ﷺ, omwille van het feit dat hij uit de nakomelingen van Ismāʿīl was en niet uit de kinderen van Israël.

    * * *

    Indien iemand zou vragen: hoe verkochten de joden hun zielen voor het ongeloof, zodat gezegd wordt "slecht is dat waarvoor zij hun zielen verkochten, dat zij verwerpen wat Allah heeft neergezonden"? En wordt er iets gekocht met ongeloof?

    Dan wordt geantwoord: de betekenis van "het kopen" (al-shirāʾ) en "het verkopen" (al-bayʿ) bij de Arabieren is dat een eigenaar zijn bezit van zich vervreemdt naar een ander, tegen een tegenprestatie die hij ervoor in ruil ontvangt. Vervolgens gebruiken de Arabieren dat voor iedereen die voor zijn handelen een tegenprestatie in ruil ontvangt, of die nu slecht of goed is, en zij zeggen: "hoe voortreffelijk is dat waarvoor die-en-die zijn ziel verkocht heeft" en "hoe slecht is dat waarvoor die-en-die zijn ziel verkocht heeft", in de betekenis van: hoe voortreffelijk is de verwerving die hij voor haar verwierf, en hoe slecht is de verwerving die hij voor haar verwierf — wanneer hij haar door zijn streven goeds of kwaads doet toekomen. Zo is ook de betekenis van Zijn woorden, verheven is Zijn lof: "biʾsamā ishtaraw bihi anfusahum" (slecht is dat waarvoor zij hun zielen verkochten) — toen zij hun zielen ten verderve voerden door hun ongeloof in Muḥammad ﷺ en haar zo te gronde richtten, sprak Allah hen en de Arabieren toe met datgene wat zij in hun eigen taal kennen, en Hij zei: "biʾsamā ishtaraw bihi anfusahum" (slecht is dat waarvoor zij hun zielen verkochten), waarmee Hij bedoelt: slecht is dat wat zij voor hun zielen verworven hebben door hun streven, en slecht is de tegenprestatie die zij in ruil ontvingen voor hun ongeloof in Allah door hun verloochening van Muḥammad — daar zij als tegenprestatie voor de beloning van Allah en wat Hij voor hen had voorbereid — indien zij in Allah hadden geloofd en in wat Hij aan Zijn profeten heeft neergezonden — tevreden waren met het Vuur (al-nār) en met wat Hij voor hen heeft voorbereid vanwege hun ongeloof daarin.

    * * *

    En dit vers — en wat Allah daarin meedeelt over de afgunst van de joden jegens Muḥammad ﷺ en zijn volk van de Arabieren, omwille van het feit dat Allah het profeetschap en de wijsheid onder hen [de Arabieren] plaatste, en niet onder de joden van de kinderen van Israël, totdat dit hen ertoe bracht ongelovig aan hem te worden, ondanks hun kennis van zijn waarachtigheid, en dat hij een profeet van Allah was, gezonden en als boodschapper uitgezonden — is gelijk aan het andere vers in Surah Al-Nisāʾ, namelijk Zijn woorden: أَلَمْ تَرَ إِلَى الَّذِينَ أُوتُوا نَصِيبًا مِنَ الْكِتَابِ يُؤْمِنُونَ بِالْجِبْتِ وَالطَّاغُوتِ وَيَقُولُونَ لِلَّذِينَ كَفَرُوا هَؤُلاءِ أَهْدَى مِنَ الَّذِينَ آمَنُوا سَبِيلا * أُولَئِكَ الَّذِينَ لَعَنَهُمُ اللَّهُ وَمَنْ يَلْعَنِ اللَّهُ فَلَنْ تَجِدَ لَهُ نَصِيرًا * أَمْ لَهُمْ نَصِيبٌ مِنَ الْمُلْكِ فَإِذًا لا يُؤْتُونَ النَّاسَ نَقِيرًا * أَمْ يَحْسُدُونَ النَّاسَ عَلَى مَا آتَاهُمُ اللَّهُ مِنْ فَضْلِهِ فَقَدْ آتَيْنَا آلَ إِبْرَاهِيمَ الْكِتَابَ وَالْحِكْمَةَ وَآتَيْنَاهُمْ مُلْكًا عَظِيمًا

    (Heb je niet gezien naar hen die een deel van het Boek gegeven werd, dat zij geloven in al-Jibt en al-Ṭāghūt en over hen die ongelovig zijn zeggen: "Dezen zijn beter geleid op de weg dan zij die geloven"? Zij zijn het die Allah vervloekt heeft, en wie Allah vervloekt, voor hem zul je nimmer een helper vinden. Of hebben zij een aandeel in het koningschap? Dan zouden zij de mensen nog niet zoveel als het putje van een dadelpit geven. Of benijden zij de mensen om wat Allah hun van Zijn gunst gegeven heeft? Wij hebben immers aan de familie van Ibrāhīm het Boek en de wijsheid gegeven, en Wij gaven hun een geweldig koninkrijk.) [Surah Al-Nisāʾ: 51-54].

    * * *

    De uitleg van Zijn woorden: أَنْ يُنَزِّلَ اللَّهُ مِنْ فَضْلِهِ عَلَى مَنْ يَشَاءُ مِنْ عِبَادِهِ

    (dat Allah van Zijn gunst neerzendt op wie Hij wil van Zijn dienaren) (2:90)

    Abū Jaʿfar zei: Wij hebben de uitleg daarvan reeds vermeld en de betekenis ervan uiteengezet, maar wij vermelden niettemin de overlevering ter bevestiging van wat wij daarover gezegd hebben:

    1540 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, hij zei: Ibn Isḥāq heeft mij verteld, op gezag van ʿĀṣim ibn ʿUmar ibn Qatāda al-Anṣārī, op gezag van enkele oude meesters onder hen, betreffende Zijn woorden: "baghyan an yunazzila llāhu min faḍlihi ʿalā man yashāʾu min ʿibādihi" (uit opstandigheid dat Allah van Zijn gunst neerzendt op wie Hij wil van Zijn dienaren), dat wil zeggen: dat Allah, de Verhevene, het [profeetschap] in een ander dan hen plaatste.

    1541 — Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, hij zei: Zij zijn de joden. Toen Allah Zijn profeet Muḥammad ﷺ zond en zij zagen dat hij uit een ander volk dan het hunne gezonden werd, verwierpen zij hem — uit afgunst jegens de Arabieren — terwijl zij wisten dat hij de boodschapper van Allah ﷺ was, en zij vonden hem bij hen opgetekend in de Torah.

    1542 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Ādam heeft ons verteld, hij zei: Abū Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van al-Rabīʿ, op gezag van Abū al-ʿĀliya, iets dergelijks.

    1543 — Mij is verteld op gezag van ʿAmmār, hij zei: Ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van al-Rabīʿ, iets dergelijks.

    1544 — Mūsā heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr ibn Ḥammād heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, hij zei: Zij zeiden: "De boodschappers kwamen toch enkel uit de kinderen van Israël; hoe komt het dan dat deze uit de kinderen van Ismāʿīl is?"

    1545 — Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van ʿAlī al-Azdī, hij zei: Het werd geopenbaard betreffende de joden.

    * * *

    De uitleg van de woorden van de Verhevene: فَبَاءُوا بِغَضَبٍ عَلَى غَضَبٍ

    (Zo keerden zij terug met toorn op toorn) (2:90)

    Abū Jaʿfar zei: Met Zijn woorden "fa-bāʾū bi-ghaḍabin ʿalā ghaḍab" (zo keerden zij terug met toorn op toorn) bedoelt Hij: zo keerden de joden van de kinderen van Israël — na de toestand waarin zij verkeerden van het zoeken van overwinning door middel van Muḥammad ﷺ en het zoeken van triomf door hem, en na datgene wat zij vóór zijn zending aan de mensen meedeelden, namelijk dat hij een gezonden profeet was — als afvalligen op hun hielen terug toen Allah hem als gezonden profeet uitzond. Zo keerden zij terug met toorn van Allah — die zij van Hem verdienden door hun ongeloof in Muḥammad toen hij gezonden werd, en hun ontkenning van zijn profeetschap, en hun verloochening dat hij degene was wiens beschrijving zij in hun Boek aantroffen, uit koppigheid van hun kant jegens hem en uit opstandigheid en afgunst jegens hem en jegens de Arabieren — bovenop een eerdere toorn die er vóór dat alles van Allah over hen was geweest, die aan deze tweede toorn voorafging, vanwege hun ongeloof dat er vóór ʿĪsā de zoon van Maryam was, of vanwege hun aanbidding van het kalf, of vanwege andere zonden van hen die voorbij waren gegaan, waardoor zij de toorn van Allah verdienden, zoals:

    1546 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama ibn al-Faḍl heeft ons verteld, hij zei: Ibn Isḥāq heeft mij verteld, op gezag van Muḥammad ibn Abī Muḥammad, in wat hij overleverde van Saʿīd ibn Jubayr of ʿIkrima, op gezag van Ibn ʿAbbās: "fa-bāʾū bi-ghaḍabin ʿalā ghaḍab" (zo keerden zij terug met toorn op toorn), de toorn op de toorn is: Zijn toorn over hen vanwege wat zij van de Torah hadden verwaarloosd terwijl die bij hen was, en de toorn vanwege hun ongeloof in deze profeet die Allah bij hen deed verschijnen.

    1547 — Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: Yaḥyā ibn Saʿīd en ʿAbd al-Raḥmān hebben ons verteld, zij beiden zeiden: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van Abū Bukayr, op gezag van ʿIkrima: "fa-bāʾū bi-ghaḍabin ʿalā ghaḍab" (zo keerden zij terug met toorn op toorn), hij zei: ongeloof in ʿĪsā, en ongeloof in Muḥammad ﷺ.

    1548 — Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: Yaḥyā ibn Yamān heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van Abū Bukayr, op gezag van ʿIkrima: "fa-bāʾū bi-ghaḍabin ʿalā ghaḍab" (zo keerden zij terug met toorn op toorn), hij zei: hun ongeloof in ʿĪsā en Muḥammad ﷺ.

    1549 — Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons meegedeeld, hij zei: al-Thawrī heeft ons meegedeeld, op gezag van Abū Bukayr, op gezag van ʿIkrima, iets dergelijks.

    1550 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Jarīr heeft ons verteld, op gezag van Mughīra, op gezag van al-Shaʿbī, hij zei: De mensen verkeren op de Dag der Opstanding in vier rangen: een man die in ʿĪsā geloofde en in Muḥammad geloofde — moge Allahs zegen over hen beiden zijn — voor hem zijn er twee beloningen. Een man die ongelovig was aan ʿĪsā maar in Muḥammad ﷺ geloofde, voor hem is er één beloning. Een man die ongelovig was aan ʿĪsā en ongelovig was aan Muḥammad, die keerde terug met toorn op toorn. En een man die ongelovig was aan ʿĪsā, behorend tot de polytheïsten van de Arabieren (mushrikīn), en die in zijn ongeloof stierf vóór Muḥammad ﷺ, die keerde terug met toorn.

    1551 — Bishr ibn Muʿādh heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, betreffende Zijn woorden: "fa-bāʾū bi-ghaḍabin ʿalā ghaḍab" (zo keerden zij terug met toorn op toorn), de toorn van Allah over hen vanwege hun ongeloof in het Evangelie en in ʿĪsā, en Zijn toorn over hen vanwege hun ongeloof in de Koran en in Muḥammad ﷺ.

    1552 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Ḥudhayfa heeft ons verteld, hij zei: Shibl heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid: "fa-bāʾū bi-ghaḍab" (zo keerden zij terug met toorn), [over] de joden vanwege hun verandering van de Torah vóór het optreden van de Profeet ﷺ, "ʿalā ghaḍab" (op toorn): [vanwege] hun ontkenning van de Profeet ﷺ en hun ongeloof in wat hij bracht.

    1553 — Al-Muthannā heeft ons verteld, hij zei: Ādam heeft ons verteld, hij zei: Abū Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van al-Rabīʿ, op gezag van Abū al-ʿĀliya: "fa-bāʾū bi-ghaḍabin ʿalā ghaḍab" (zo keerden zij terug met toorn op toorn), hij zegt: de toorn van Allah over hen vanwege hun ongeloof in het Evangelie en in ʿĪsā, vervolgens Zijn toorn over hen vanwege hun ongeloof in Muḥammad ﷺ en in de Koran.

    1554 — Mūsā heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: "fa-bāʾū bi-ghaḍabin ʿalā ghaḍab" (zo keerden zij terug met toorn op toorn), wat de eerste toorn betreft, dat is toen Allah toornig op hen werd vanwege het kalf; en wat de tweede toorn betreft, Hij werd toornig op hen toen zij ongelovig werden aan Muḥammad ﷺ.

    1555 — Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj en ʿAṭāʾ en ʿUbayd ibn ʿUmayr, betreffende Zijn woorden: "fa-bāʾū bi-ghaḍabin ʿalā ghaḍab" (zo keerden zij terug met toorn op toorn), hij zei: de toorn van Allah over hen vanwege datgene waarin zij verkeerden vóór het optreden van de Profeet ﷺ — van hun verandering [van de Schrift] en hun ongeloof —, vervolgens Zijn toorn over hen betreffende Muḥammad ﷺ — toen hij optrad en zij hem verwierpen.

    * * *

    Abū Jaʿfar zei: Wij hebben de betekenis van "de toorn" van Allah over wie van Zijn schepselen Hij toornig is — en het meningsverschil van hen die van mening verschillen over de aard ervan — reeds uiteengezet in het voorgaande deel van dit boek van ons, op een wijze die het overbodig maakt dat te herhalen.

    * * *

    De uitleg van de woorden van de Verhevene: وَلِلْكَافِرِينَ عَذَابٌ مُهِينٌ

    (En voor de ongelovigen is er een vernederende bestraffing) (90)

    Abū Jaʿfar zei: Met Zijn woorden, verheven is Zijn lof: "wa-li-l-kāfirīna ʿadhābun muhīn" (en voor de ongelovigen is er een vernederende bestraffing) bedoelt Hij: en voor allen onder de mensen die het profeetschap van Muḥammad ﷺ ontkennen, is er een bestraffing (ʿadhāb) van Allah, hetzij in het hiernamaals, hetzij in deze wereld én het hiernamaals; "muhīn" (vernederend) is dat wat degene die het ondergaat verlaagt en te schande maakt, en hem kleinering en vernedering doet aandoen.

    * * *

    Indien iemand zou vragen: welke bestraffing is er die degene die haar ondergaat niet vernedert, zodat voor de ongelovigen de vernederende ervan bestemd is?

    Dan wordt geantwoord: de vernederende [bestraffing] is die waarvan wij hebben uiteengezet dat zij degene die haar ondergaat vernedering en kleinering doet toekomen, waarin degene die haar ondergaat eeuwig verblijft, zonder ooit van zijn vernedering over te gaan naar eer en waardigheid, en het is die welke Allah specifiek heeft toegekend aan de mensen die ongelovig zijn aan Hem en aan Zijn boodschappers. En wat betreft die welke degene die haar ondergaat niet vernedert: dat is die welke een loutering is voor degene die haar ondergaat. En dat is bijvoorbeeld de dief uit de mensen van de islam, die iets steelt waarvoor hem de amputatie verschuldigd is, waarop zijn hand wordt afgehakt; en de ontuchtpleger (zānī) onder hen die ontucht (zinā) bedrijft, waarop de voorgeschreven straf (ḥadd) over hem voltrokken wordt; en wat daarop lijkt aan bestraffing en afschrikkende straf die Allah tot verzoeningen heeft gemaakt voor de zonden waarvoor degenen die ze begingen bestraft werden; en zoals de plegers van grote zonden onder de mensen van de islam, die in het hiernamaals bestraft worden naar de mate van hun misdaden die zij begaan hebben, opdat zij van hun zonden gelouterd worden, om vervolgens het paradijs (janna) binnen te gaan. Want dat alles, ook al is het een bestraffing, is niet vernederend voor degene die ermee bestraft wordt, daar de bestraffing van Allah hem ermee dient om hem van zijn zonden te louteren, om hem vervolgens te voeren naar de bron van eer en waardigheid, en hem eeuwig te laten verblijven in de gelukzaligheid van de tuinen [van het paradijs].

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله تعالى : بِئْسَمَا اشْتَرَوْا بِهِ أَنْفُسَهُمْ أَنْ يَكْفُرُوا بِمَا أَنْزَلَ اللَّهُ بَغْيًا قال أبوجعفر ومعنى قوله جل ثناؤه: (بئس ما اشتروا به أنفسهم): ساء ما اشتروا به أنفسهم. * * * وأصل " بئس " " بَئِس " من " البؤس ", سكنت همزتها، ثم نقلت حركتها إلى " الباء ", كما قيل في" ظللت "" ظلت ", وكما قيل " للكبد "،" كِبْد " - فنقلت حركة " الباء " إلى " الكاف " لما سكنت " الباء ". وقد يحتمل أن تكون " بئس "، وإن كان أصلها " بَئِس "، من لغة الذين ينقلون حركة العين من " فعل " إلى الفاء، إذا كانت عين الفعل أحد حروف الحلق الستة, كما قالوا من " لعب " " لِعْب ", ومن " سئم "" سِئْم ", وذلك -فيما يقال- لغة فاشية في تميم. ثم جعلت دالة على الذم والتوبيخ، ووصلت بـ " ما ". واختلف أهل العربية في معنى " ما " التي مع " بئسما ". فقال بعض نحويي البصرة: هي وحدها اسم, و " أن يكفروا " تفسير له, (12) نحو: نعم رجلا زيد, و أَنْ يُنَـزِّلَ اللَّهُ بدل من " أنـزل الله ". وقال بعض نحويي الكوفة: معنى ذلك: بئس الشيء اشتروا به أنفسهم أن يكفروا, ف " ما " اسم " بئس ", و " أن يكفروا " الاسم الثاني. وزعم أن: " أن يكفروا " إن شئت جعلت " أن " في موضع رفع, وإن شئت في موضع خفض. (13) أما الرفع: فبئس الشيء هذا أن يفعلوه. وأما الخفض: فبئس &; 2-339 &; الشيء اشتروا به أنفسهم أن يكفروا بما أنـزل الله بغيا. قال: وقوله: لَبِئْسَ مَا قَدَّمَتْ لَهُمْ أَنْفُسُهُمْ أَنْ سَخِطَ اللَّهُ عَلَيْهِمْ [سورة المائدة: 80] كمثل ذلك. والعرب تجعل " ما " وحدها في هذا الباب، بمنـزلة الاسم التام، كقوله: فَنِعِمَّا هِيَ [سورة البقرة: 271]، و " بئسما أنت "، واستشهد لقوله ذلك برجز بعض الرجاز: لا تعجــلا فــي السـير وادْلُوهـا لبئســـــما بــــطءٌ ولا نرعاهــــا (14) قال أبو جعفر: والعرب تقول: لبئسما تزويج ولا مهر ", فيجعلون " ما " وحدها اسما بغير صلة. وقائل هذه المقالة لا يجيز أن يكون الذي يلي" بئس " معرفة مُوَقَّتَة، وخبره معرفة موقتة. وقد زعم أن " بئسما " بمنـزلة: بئس الشيء اشتروا به أنفسهم, فقد صارت " ما " بصلتها اسما موقتا، لأن " اشتروا " فعل ماض من صلة " ما "، في قول قائل هذه المقالة. وإذا وصلت بماض من الفعل، كانت معرفة موقتة معلومة، فيصير تأويل الكلام حينئذ: " بئس شراؤهم كفرهم ". وذلك عنده غير جائز: فقد تبين فساد هذا القول. (15) وكان آخر منهم يزعم أن " أن " في موضع خفض إن شئت, ورفع إن شئت. فأما الخفض: فأن ترده على " الهاء " التي في،" به " على التكرير على كلامين. كأنك قلت: اشتروا أنفسهم بالكفر. وأما الرفع: فأن يكون مكرورا على موضع " ما " التي تلي" بئس ". (16) قال: ولا يجوز أن يكون رفعا على قولك: " بئس الرجل عبد الله. (17) وقال بعضهم: " بئسما " شيء واحد يرافع ما بعده (18) كما حكي عن العرب: &; 2-340 &; " بئسما تزويج ولا مهر " فرافع " تزويج "" بئسما ", (19) كما يقال: " بئسما زيد, وبئس ما عمرو ", فيكون " بئسما " رفعا بما عاد عليها من " الهاء ". كأنك قلت: بئس شيء الشيء اشتروا به أنفسهم, وتكون " أن " مترجمة عن " بئسما ". (20) * * * وأولى هذه الأقوال بالصواب، قول من جعل " بئسما " مرفوعا بالراجع من " الهاء " في قوله: (اشتروا به)، كما رفعوا ذلك بـ " عبد الله " إذ قالوا: " بئسما عبد الله ", وجعل " أن يكفروا " مترجمة عن " بئسما ". (21) فيكون معنى الكلام حينئذ: بئس الشيء باع اليهود به أنفسهم، كفرهم بما أنـزل الله بغيا وحسدا أن ينـزل الله من فضله. وتكون أَنْ التي في قوله: أَنْ يُنَـزِّلَ اللَّهُ , في موضع نصب. لأنه يعني به " أن يكفروا بما أنـزل الله ": من أجل أن ينـزل الله من فضله على من يشاء من عباده. موضع أَنْ جزاء. (22) وكان بعض أهل العربية من الكوفيين يزعم أن أَنْ في موضع خفض بنية " الباء ". وإنما اخترنا فيها النصب لتمام الخبر قبلها, ولا خافض معها يخفضها. والحرف الخافض لا يخفض مضمرا. * * * وأما قوله: (اشتروا به أنفسهم)، فإنه يعني به: باعوا أنفسهم كما:- 1534 - حدثني موسى بن هارون قال، حدثنا عمرو قال، حدثنا أسباط, عن السدي: (بئسما اشتروا به أنفسهم)، يقول: باعوا أنفسهم " أن يكفروا بما أنـزل الله بغيا ". 1535 - حدثنا القاسم قال، حدثنا الحسن قال، حدثني حجاج, عن ابن جريج قال، قال مجاهد: (بئسما اشتروا به أنفسهم)، يهود، شروا الحق &; 2-341 &; بالباطل، وكتمان ما جاء به محمد صلى الله عليه وسلم بأن يبينوه. (23) قال أبو جعفر: والعرب تقول: " شريته "، بمعنى بعته. و " اشتروا "، في هذا الموضع،" افتعلوا " من " شريت ". وكلام العرب -فيما بلغنا- أن يقولوا: " شريت " بمعنى: بعت, و " اشتريت " بمعنى: ابتعت. وقيل: إنما سمي" الشاري"،" شاريا "، لأنه باع نفسه ودنياه بآخرته. (24) ومن ذلك قول يزيد بن مفرغ الحميري: وشــــريت بـــردا ليتنـــي مـــن قبـــل بــرد كــنت هامــة (25) ومنه قول المسيب بن علس: يعطـــى بهــا ثمنــا فيمنعهــا ويقــــول صاحبهــــا ألا تشـــري? (26) &; 2-342 &; يعني به: بعت بردا. وربما استعمل " اشتريت " بمعنى: بعت, و " شريت " في معنى: " ابتعت ". والكلام المستفيض فيهم هو ما وصفت. * * * وأما معنى قوله: (بغيا)، فإنه يعني به: تعديا وحسدا، كما:- 1536 - حدثنا بشر بن معاذ قال، حدثنا يزيد قال، حدثنا سعيد عن قتادة: (بغيا)، قال: أي حسدا, وهم اليهود. 1537 - حدثني موسى قال، حدثنا عمرو قال، حدثنا أسباط, عن السدي: (بغيا)، قال: بغوا على محمد صلى الله عليه وسلم وحسدوه, وقالوا: إنما كانت الرسل من بني إسرائيل, فما بال هذا من بني إسماعيل؟ فحسدوه أن ينـزل الله من فضله على من يشاء من عباده. 1538 - حدثني المثنى قال، حدثنا آدم قال، حدثنا أبو جعفر, عن الربيع, عن أبي العالية: (بغيا)، يعني: حسدا أن ينـزل الله من فضله على من يشاء من عباده, وهم اليهود كفروا بما أنـزل على محمد صلى الله عليه وسلم. 1539 - حُدثت عن عمار بن الحسن قال، حدثنا ابن أبي جعفر, عن أبيه, عن الربيع مثله. * * * قال أبو جعفر: فمعنى الآية: بئس الشيء باعوا به أنفسهم، الكفر بالذي أنـزل الله في كتابه على موسى - من نبوة محمد صلى الله عليه وسلم، والأمر بتصديقه واتباعه - من أجل أن أنـزل الله من فضله = وفضله: حكمته وآياته ونبوته = على من يشاء من عباده - يعني به: على محمد صلى الله عليه وسلم - بغيا وحسدا لمحمد صلى الله عليه وسلم, من أجل أنه كان من ولد إسماعيل, ولم يكن من بني إسرائيل. * * * فإن قال قائل: وكيف باعت اليهود أنفسها بالكفر، فقيل: (بئس ما اشتروا به أنفسهم أن يكفروا بما أنـزل الله)؟ وهل يشتري بالكفر شيء؟ قيل: إن معنى: " الشراء " و " البيع " عند العرب، هو إزالة مالك ملكه &; 2-343 &; إلى غيره، بعوض يعتاضه منه. ثم تستعمل العرب ذلك في كل معتاض من عمله عوضا، شرا أو خيرا, فتقول: " نعم ما باع به فلان نفسه " و " بئس ما باع به فلان نفسه ", بمعنى: نعم الكسب أكسبها، وبئس الكسب أكسبها - إذا أورثها بسعيه عليها خيرا أو شرا. فكذلك معنى قوله جل ثناؤه: (بئس ما اشتروا به أنفسهم) - لما أوبقوا أنفسهم بكفرهم بمحمد صلى الله عليه وسلم فأهلكوها, خاطبهم الله والعرب بالذي يعرفونه في كلامهم، فقال: (بئس ما اشتروا به أنفسهم)، يعني بذلك: بئس ما أكسبوا أنفسهم بسعيهم, وبئس العوض اعتاضوا، من كفرهم بالله في تكذيبهم محمدا, إذْ كانوا قد رضوا عوضا من ثواب الله وما أعد لهم - لو كانوا آمنوا بالله وما أنـزل على أنبيائه - بالنار وما أعد لهم بكفرهم بذلك. * * * وهذه الآية - وما أخبر الله فيها عن حسد اليهود محمدا صلى الله عليه وسلم وقومه من العرب, من أجل أن الله جعل النبوة والحكمة فيهم دون اليهود من بني إسرائيل, حتى دعاهم ذلك إلى الكفر به، مع علمهم بصدقه, وأنه نبي لله مبعوث ورسول مرسل - (27) نظيره الآية الأخرى في سورة النساء, وذلك قوله, أَلَمْ تَرَ إِلَى الَّذِينَ أُوتُوا نَصِيبًا مِنَ الْكِتَابِ يُؤْمِنُونَ بِالْجِبْتِ وَالطَّاغُوتِ وَيَقُولُونَ لِلَّذِينَ كَفَرُوا هَؤُلاءِ أَهْدَى مِنَ الَّذِينَ آمَنُوا سَبِيلا * أُولَئِكَ الَّذِينَ لَعَنَهُمُ اللَّهُ وَمَنْ يَلْعَنِ اللَّهُ فَلَنْ تَجِدَ لَهُ نَصِيرًا * أَمْ لَهُمْ نَصِيبٌ مِنَ الْمُلْكِ فَإِذًا لا يُؤْتُونَ النَّاسَ نَقِيرًا * أَمْ يَحْسُدُونَ النَّاسَ عَلَى مَا آتَاهُمُ اللَّهُ مِنْ فَضْلِهِ فَقَدْ آتَيْنَا آلَ إِبْرَاهِيمَ الْكِتَابَ وَالْحِكْمَةَ وَآتَيْنَاهُمْ مُلْكًا عَظِيمًا [سورة النساء: 51-54]. * * * &; 2-344 &; القول في تأويل قوله : أَنْ يُنَزِّلَ اللَّهُ مِنْ فَضْلِهِ عَلَى مَنْ يَشَاءُ مِنْ عِبَادِهِ قال أبو جعفر: قد ذكرنا تأويل ذلك وبينا معناه, ولكنا نذكر الرواية بتصحيح ما قلنا فيه:- 1540 - حدثنا ابن حميد قال، حدثنا سلمة قال، حدثني ابن إسحاق, عن عاصم بن عمر بن قتادة الأنصاري, عن أشياخ منهم ، قوله: (بغيا أن ينـزل الله من فضله على من يشاء من عباده)، أي أن الله تعالى جعله في غيرهم. (28) . 1541 - حدثنا بشر قال، حدثنا يزيد قال، حدثنا سعيد, عن قتادة قال: هم اليهود. لما بعث الله نبيه محمدا صلى الله عليه وسلم فرأوا أنه بعث من غيرهم, كفروا به - حسدا للعرب - وهم يعلمون أنه رسول الله صلى الله عليه وسلم، يجدونه مكتوبا عندهم في التوراة. 1542 - حدثني المثنى قال، حدثنا آدم قال، حدثنا أبو جعفر, عن الربيع, عن أبي العالية مثله. 1543 - حُدثت عن عمار قال، حدثنا ابن أبي جعفر, عن أبيه, عن الربيع مثله. 1544 - حدثني موسى قال، حدثنا عمرو بن حماد قال، حدثنا أسباط, عن السدي قال: قالوا: إنما كانت الرسل من بني إسرائيل, فما بال هذا من بني إسماعيل؟ 1545- حدثني محمد بن عمرو قال، حدثنا أبو عاصم قال، حدثنا عيسى, عن ابن أبي نجيح, عن علي الأزدي. قال: نـزلت في اليهود. (29) * * * &; 2-345 &; القول في تأويل قوله تعالى : فَبَاءُوا بِغَضَبٍ عَلَى غَضَبٍ قال أبو جعفر: يعني بقوله: (فباءوا بغضب على غضب)، (30) فرجعت اليهود من بني إسرائيل - بعد الذي كانوا عليه من الاستنصار بمحمد صلى الله عليه وسلم والاستفتاح به, وبعد الذي كانوا يخبرون به الناس من قبل مبعثه أنه نبي مبعوث - مرتدين على أعقابهم حين بعثه الله نبيا مرسلا فباءوا بغضب من الله = استحقوه منه بكفرهم بمحمد حين بعث, وجحودهم نبوته, وإنكارهم إياه أن يكون هو الذي يجدون صفته في كتابهم، عنادا منهم له وبغيا وحسدا له وللعرب = على غضب سالف، كان من الله عليهم قبل ذلك، سابقٍ غضبه الثاني، لكفرهم الذي كان قبل عيسى ابن مريم, أو لعبادتهم العجل, أو لغير ذلك من ذنوب كانت لهم سلفت، يستحقون بها الغضب من الله، كما:- 1546 - حدثنا ابن حميد قال، حدثنا سلمة بن الفضل قال، حدثني ابن إسحاق, عن محمد بن أبي محمد, فيما روى عن سعيد بن جبير، أو عكرمة, عن ابن عباس: (فباءوا بغضب على غضب)، فالغضب على الغضب، غضبه عليهم فيما كانوا ضيعوا من التوراة وهي معهم, وغضب بكفرهم بهذا النبي الذي أحدث الله إليهم. (31) 1547 - حدثنا ابن بشار قال، حدثنا يحيى بن سعيد وعبد الرحمن, قالا حدثنا سفيان، عن أبي بكير, عن عكرمة: (فباءوا بغضب على غضب) قال: كفر بعيسى، وكفر بمحمد صلى الله عليه وسلم. (32) 1548 - حدثنا أبو كريب قال، حدثنا يحيى بن يمان قال، حدثنا سفيان, &; 2-346 &; عن أبي بكير, عن عكرمة: (فباءوا بغضب على غضب)، قال: كفرهم بعيسى ومحمد صلى الله عليه وسلم. 1549 - حدثنا الحسن بن يحيى قال، أخبرنا عبد الرزاق قال، أخبرنا الثوري, عن أبي بكير, عن عكرمة مثله. 1550 - حدثنا ابن حميد قال، حدثنا جرير, عن مغيرة, عن الشعبي قال: الناس يوم القيامة على أربعة منازل: رجل كان مؤمنا بعيسى وآمن بمحمد صلى الله عليهما، فله أجران. ورجل كان كافرا بعيسى فآمن بمحمد صلى الله عليه وسلم، فله أجر. ورجل كان كافرا بعيسى فكفر بمحمد, فباء بغضب على غضب. ورجل كان كافرا بعيسى من مشركي العرب, فمات بكفره قبل محمد صلى الله عليه وسلم، فباء بغضب. 1551 - حدثنا بشر بن معاذ قال، حدثنا يزيد قال، حدثنا سعيد, عن قتادة قوله: (فباءوا بغضب على غضب)، غضب الله عليهم بكفرهم بالإنجيل وبعيسى, وغضب عليهم بكفرهم بالقرآن وبمحمد صلى الله عليه وسلم. 1552 - حدثني المثنى قال، حدثنا أبو حذيفة قال، حدثنا شبل, عن ابن أبي نجيح, عن مجاهد: (فباءوا بغضب)، اليهود بما كان من تبديلهم التوراة قبل خروج النبي صلى الله عليه وسلم,(على غضب)، جحودهم النبي صلى الله عليه وسلم، وكفرهم بما جاء به. 1553 - حدثنا المثنى قال، حدثنا آدم قال، حدثنا أبو جعفر, عن الربيع, عن أبي العالية: (فباءوا بغضب على غضب)، يقول: غضب الله عليهم بكفرهم بالإنجيل وعيسى, ثم غضبه عليهم بكفرهم بمحمد صلى الله عليه وسلم وبالقرآن. 1554 - حدثني موسى قال، حدثنا عمرو قال، حدثنا أسباط, عن السدي: (فباءوا بغضب على غضب)، أما الغضب الأول فهو حين غضب الله عليهم في العجل؛ وأما الغضب الثاني فغضب عليهم حين كفروا بمحمد صلى الله عليه وسلم. &; 2-347 &; 1555 - حدثنا القاسم قال، حدثنا الحسين قال، حدثني حجاج, عن ابن جريج وعطاء وعبيد بن عمير قوله: (فباءوا بغضب على غضب)، قال: غضب الله عليهم فيما كانوا فيه من قبل خروج النبي صلى الله عليه وسلم - من تبديلهم وكفرهم -, ثم غضب عليهم في محمد صلى الله عليه وسلم - إذ خرج، فكفروا به. * * * قال أبو جعفر: وقد بينا معنى " الغضب " من الله على من غضب عليه من خلقه - واختلاف المختلفين في صفته - فيما مضى من كتابنا هذا، بما أغنى عن إعادته. (33) * * * القول في تأويل قوله تعالى : وَلِلْكَافِرِينَ عَذَابٌ مُهِينٌ (90) قال أبو جعفر: يعني بقوله جل ثناؤه: (وللكافرين عذاب مهين)، وللجاحدين نبوة محمد صلى الله عليه وسلم من الناس كلهم، عذاب من الله، إما في الآخرة, وإما في الدنيا والآخرة، (مهين) هو المذل صاحبه، المخزي، الملبسه هوانا وذلة. * * * فإن قال قائل: أي عذاب هو غير مهين صاحبه، فيكون للكافرين المهين منه؟ قيل: إن المهين هو الذي قد بينا أنه المورث صاحبه ذلة وهوانا، الذي يخلد فيه صاحبه، لا ينتقل من هوانه إلى عز وكرامة أبدا, وهو الذي خص الله به أهل الكفر به وبرسله. وأما الذي هو غير مهين صاحبه، فهو ما كان تمحيصا لصاحبه. وذلك هو كالسارق من أهل الإسلام، يسرق ما يجب عليه به القطع فتقطع يده, والزاني منهم يزني فيقام عليه الحد, وما أشبه ذلك من العذاب والنكال الذي جعله الله كفارات للذنوب التي عذب بها أهلها, وكأهل الكبائر من أهل &; 2-348 &; الإسلام الذين يعذبون في الآخرة بمقادير جرائمهم التي ارتكبوها، ليمحصوا من ذنوبهم، ثم يدخلون الجنة. فإن كل ذلك، وإن كان عذابا، فغير مهين من عذب به. إذ كان تعذيب الله إياه به ليمحصه من آثامه، ثم يورده معدن العز والكرامة، ويخلده في نعيم الجنان. ---------------- (12) "التفسير" هو ما اصطلح البصريون على تسميته"التمييز" ، ويقال له التبيين أيضًا ، (همع الهوامع 1 : 250) . (13) في المطبوعة : "وزعم أن أن ينزل من فضله إن شئت جعلت . . . " ، وهو سهو من النساخ ، وصوابه ماأثبته من معاني القرآن للفراء 1 : 56 . (14) لم أعرف الراجز ، والبيتان في اللسان (دلو) . دلوت الناقة دلوا : سقتها سوقا رفيقا رويدا ورعى الماشية وأرعاها : أطلقها في المرعى . (15) انظر معاني القرآن للفراء 1 : 56 - 57 ، كأنه قول الكسائي . والمعرفة الموقتة : وهي المعرفة المحددة . وانظر شرح ذلك فيما سلف 1 : 181 ، تعليق : 1 . (16) في المطبوعة : "مكررا" ، والصواب من معاني القرآن للفراء 1 : 56 . (17) هذه الفقرة هي نص كلام الفراء في معاني القرآن 1 : 56 . (18) في المطبوعة : "يعرف ما بعده" ، والصواب ما أثبت . (19) في المطبوعة : "فرفع" ، والصواب ما أثبت . (20) الترجمة : هو ما يسميه البصريون : "عطف البيان" و"البدل" ، فقوله"مترجما عن بئسما" ، أي عطف بيان . (21) الترجمة : هو ما يسميه البصريون : "عطف البيان" و"البدل" ، فقوله"مترجما عن بئسما" ، أي عطف بيان . (22) الجزاء : المفعول لأجله هنا ، وفي المطبوعة : "جر" ، وهو خطأ ، وصوابه في معاني القرآن للفراء 1 : 58 . (23) في المطبوعة : "بأن بينوه" ، وهو خطأ ، والصواب من تفسير ابن كثير 1 : 231 . والمعنى اشتروا الكتمان بالبيان . (24) الشاري واحد الشراة (بضم الشين) ، وهم الخوارج ، وقال قطري بن الفجاءة الخارجي في معنى ذلك ، ويذكر أم حكيم ، وذلك في يوم دولاب: فلــو شــهدتنا يـوم ذاك, وخيلنـا تبيــح مــن الكفـار كـل حـريم رأت فتيــة بـاعوا الإلـه نفوسـهم بجنــات عــدن عنــده ونعيــم وقال الخوارج : نحن الشراة ، لقول الله عز وجل : "ومن الناس من يشري نفسه ابتغاء مرضاة الله" أي يبيعها ويبذلها في الجهاد ، وثمنها الجنة ، وقيل : سموا بذلك لقولهم : "إنا شرينا أنفسنا في طاعة الله حين فارقنا الأئمة الجائرة" ، أي : بعناها بالجنة . (25) طبقات فحول الشعراء : 555 من قصيدة له ، في هجاء عباد بن زياد ، حين باع ما له في دين كان عليه ، وقضى الغرماء ، وكان فيما باع غلام لابن مفرغ ، يقال له"برد" ، وجارية يقال لها"أراكة" . وقوله : "كنت هامة" أي هالكا . يقال : فلان هامة اليوم أو غد ، أي قريب هلاكه ، فإذا هو"هامة" ، وذلك زعم أبطله الله بالإسلام كان في الجاهلية : أن عظم الميت أو روحه تصير هامة (وهو طير كالبومة) فتطير . ورواية غيره : "من بعد برد" . (26) ديوانه: 352 (من ملحق ديوان الأعشى - والمسيب خال الأعشى، والأعشى راويته)، ورواية الديوان"ويقول صاحبه"، وهي الصواب. والبيت من أبيات آية في الجودة، يصف الغواص الفقير، قد ظفر بدرة لا شبيه لها، فضن بها على البيع، وقد أعطى فيها ما يغنى من الثمن، فأبى، وصاحبه يحضضه على بيعها، وبعده: وتــرى الصـراري يسـجدون لهـا ويضمهــــا بيديـــه للنحـــر والصراري : الملاحون ، من أصحاب الغواصين . (27) قوله"- نظيره الآية . . " خبر قوله في صدر هذه الفقرة : "وهذه الآية-" . (28) الأثر : 1540 - سيرة ابن هشام 2 : 190 (29) الأثر : 1545 - انظر التعليق على رقم : 1523 ، 1524 . (30) انظر تفسير . "باء" فيما سلف من هذا الجزء 2 : 138 . (31) الأثر : 1546- سيرة ابن هشام 2 : 190 . (32) الأثر : 1547 - في الدر المنثور : "كفرهم" في الموضعين ، وهما سواء . (33) انظر ما سلف 1 : 188 - 189 ، وما مضى في هذا الجزء 2 : 138 هذا وقد كان في المطبوعة بعد قوله : "عن إعادته" ما نصه : "والله تعالى أعلم" ، وليس لها مكان هنا ، وهي بلا شك زيادة بعض النساخ ، فلذلك تركتها .