Tafseer van De Koe · Al-Baqara · 2:82
Maar degenen die geloven en goede werken verrichten, zij zijn degenen die de bewoners van het Paradijs zijn. Zij zijn daarin eeuwig levenden.
Het woord over de uitleg van Zijn verheven uitspraak: وَالَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ أُولَئِكَ أَصْحَابُ الْجَنَّةِ هُمْ فِيهَا خَالِدُونَ (82)
(En zij die geloven en goede werken verrichten, zij zijn de bewoners van het paradijs, daarin zullen zij eeuwig verblijven.)
Abū Jaʿfar zei: Met Zijn uitspraak wa-lladhīna āmanū (en zij die geloven) bedoelt Hij: zij die voor waar hielden wat de Profeet ﷺ heeft gebracht. En met Zijn uitspraak wa-ʿamilū al-ṣāliḥāt (en goede werken verrichten) bedoelt Hij: zij die Allah gehoorzaamden, en aldus Zijn voorgeschreven grenzen (ḥudūd) handhaafden, Zijn verplichtingen vervulden, en zich onthielden van wat Hij verboden heeft. En met Zijn uitspraak fa-ulāʾika (zij dan) bedoelt Hij: zij die zo zijn, aṣḥāb al-jannah hum fīhā khālidūn (zijn de bewoners van het paradijs, daarin zullen zij eeuwig verblijven), dat wil zeggen: zijn bewoners, die er werkelijk de bewoners van zijn, zij verblijven daarin khālidūn (eeuwig), voor altijd blijvend.
* * *
Deze ayah en de daaraan voorafgaande zijn slechts een mededeling van Allah aan Zijn dienaren over het voortbestaan van het Vuur en het voortbestaan van zijn bewoners daarin, [en het voortbestaan van het paradijs en het voortbestaan van zijn bewoners daarin],⁴⁷ en over de bestendigheid van wat in elk van beide is voorbereid voor zijn bewoners — als een weerlegging door Allah, verheven is Zijn lofprijzing, van degenen onder de joden van de Banū Isrāʾīl die zeiden: dat het Vuur hen slechts een geteld aantal dagen zal aanraken, en dat zij daarna naar het paradijs zullen gaan. Zo deelde Hij hun mede dat hun ongelovigen eeuwig in het Vuur zullen verblijven, en dat hun gelovigen eeuwig in het paradijs zullen verblijven. Zoals:—
1445 — Ibn Ḥumayd heeft mij verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, hij zei: Ibn Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: Muḥammad ibn Abī Muḥammad heeft mij verteld, op gezag van Saʿīd ibn Jubayr of ʿIkrima, op gezag van Ibn ʿAbbās: wa-lladhīna āmanū wa-ʿamilū al-ṣāliḥāt ulāʾika aṣḥāb al-jannah hum fīhā khālidūn (En zij die geloven en goede werken verrichten, zij zijn de bewoners van het paradijs, daarin zullen zij eeuwig verblijven), dat wil zeggen: wie gelooft in datgene wat jullie verworpen hebben, en handelt naar datgene van Zijn religie wat jullie verlaten hebben, voor hen is het paradijs, daarin eeuwig verblijvend. Hij deelt hun mede dat de vergelding — voor het goede en het kwade — voor altijd bij haar bezitters blijft, zonder ooit afgebroken te worden.
1446 — Yūnus ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei: wa-lladhīna āmanū wa-ʿamilū al-ṣāliḥāt (En zij die geloven en goede werken verrichten) — dat is de Profeet ﷺ en zijn metgezellen — ulāʾika aṣḥāb al-jannah hum fīhā khālidūn (zij zijn de bewoners van het paradijs, daarin zullen zij eeuwig verblijven).
-----------------
Voetnoten:
(47) Wat tussen de haakjes staat is een onmisbare toevoeging, omwille van de samenhang van het betoog.