Tafseer van De Koe · Al-Baqara · 2:41
En gelooft in wat Ik aan jullie heb neergezonden (de Koran), als bevestiging van wat bij jullie is (de Taurât en de Zabôer), en weest niet de eersten die daarin niet geloven. En verruilt Mijn Verzen niet voor een geringe prijs. En vreest daarom alleen Mij.
Uitleg over de betekenis van Zijn uitspraak, de Verhevene: وَآمِنُوا بِمَا أَنْـزَلْتُ مُصَدِّقًا لِمَا مَعَكُمْ (En geloof in wat Ik heb neergezonden ter bevestiging van wat jullie reeds bezitten)
Abū Jaʿfar zei: Met Zijn uitspraak, verheven is Zijn lof, "geloof", bedoelt Hij: betuigt waarheid (ṣaddiqū), zoals wij daarover reeds eerder de uitleg hebben gegeven.⁽³⁷⁾ En met Zijn uitspraak "in wat Ik heb neergezonden" bedoelt Hij wat aan Mohammed ﷺ is neergezonden van de Koran. En met Zijn uitspraak "ter bevestiging van wat jullie reeds bezitten" bedoelt Hij dat de Koran bevestiging is van wat de joden van de kinderen Israëls bezitten aan de Torah. Hij gebood hun dus de Koran als waar te erkennen, en Hij berichtte hun, verheven is Zijn lof, dat in hun erkenning van de Koran tevens een erkenning van hen voor de Torah ligt besloten, want hetgeen in de Koran staat aan het gebod tot het erkennen van het profeetschap van Mohammed ﷺ, het waarheidsgetrouw verklaren van hem en het volgen van hem, gelijksoortig is aan hetgeen daarvan in de Torah en het Evangelie staat. Dus in hun erkenning van wat aan Mohammed is neergezonden ligt een erkenning van hen voor wat zij bezitten aan de Torah, en in hun verloochening daarvan ligt een verloochening van hen voor wat zij bezitten aan de Torah.
Zijn uitspraak "ter bevestiging" (muṣaddiqan) is een ḥāl (toestandsbepaling) afgeleid van de weggelaten verwijzing in "Ik heb het neergezonden" (anzaltuhu), namelijk de aanduiding "wat" (mā).⁽³⁸⁾ De betekenis van de uitspraak is: En geloof in datgene wat Ik heb neergezonden ter bevestiging van wat jullie reeds bezitten, o joden. En wat zij bezitten, dat is de Torah en het Evangelie. Zoals:—
814 — Muḥammad ibn ʿAmr al-Bāhilī heeft ons dit verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā ibn Maymūn heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, over de uitspraak van Allah: "En geloof in wat Ik heb neergezonden ter bevestiging van wat jullie reeds bezitten", hij zei: Ik heb de Koran enkel neergezonden ter bevestiging van wat jullie bezitten, de Torah en het Evangelie.⁽³⁹⁾
815 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Ḥudhayfa heeft ons verteld, hij zei: Shibl heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, iets soortgelijks.
816 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Ādam heeft ons verteld, hij zei: Abū Jaʿfar heeft ons bericht, op gezag van al-Rabīʿ, op gezag van Abū al-ʿĀliya: "En geloof in wat Ik heb neergezonden ter bevestiging van wat jullie reeds bezitten", hij zei: O gemeenschap van de Mensen van het Boek, geloof in wat Ik aan Mohammed heb neergezonden ter bevestiging van wat jullie reeds bezitten. Hij zei: Omdat zij Mohammed ﷺ bij hen opgeschreven aantreffen in de Torah en het Evangelie.⁽⁴⁰⁾
* * *
Uitleg over de betekenis van Zijn uitspraak, de Verhevene: وَلا تَكُونُوا أَوَّلَ كَافِرٍ بِهِ (En weest niet de eerste ongelovige daarin)
Abū Jaʿfar zei: Indien iemand tot ons zou zeggen: Hoe wordt er gezegd "En weest niet de eerste ongelovige (kāfir) daarin", terwijl de aanspraak daarin tot een veelheid is gericht, en Zijn woord "ongelovige" enkelvoudig is? En staan wij toe — indien dat toegestaan is — dat iemand zegt: "En weest niet de eerste man die opstond"?
Dan wordt hem gezegd: Het enkelvoud is enkel toegestaan voor datgene waaraan het woord "afʿal" (de overtreffende trap, "eerste") is toegevoegd, terwijl het bericht aan een veelheid gericht is, indien het een naamwoord betreft dat is afgeleid van "faʿala wa-yafʿalu" (het werkwoord), omdat het de bedoelde, uit de uitspraak weggelaten term vervangt, namelijk "man" (degene die), en het diens plaats inneemt in het uitdrukken van de betekenis die "man" placht uit te drukken aan meervoud en vrouwelijkheid, terwijl het in één enkelvoudige vorm staat. Zie je niet dat je zegt: "En weest niet de eerste van wie daarin ongelovig is"? Want "man" (wie) heeft de betekenis van een veelheid, en het is niet vervoegbaar zoals de naamwoorden vervoegbaar zijn voor dualis, meervoud en vrouwelijkheid. Wanneer dus het van "faʿala wa-yafʿalu" afgeleide naamwoord diens plaats inneemt, gedraagt het zich — terwijl het enkelvoudig is — in het uitdrukken op dezelfde wijze als "man" placht uit te drukken aan de betekenis van meervoud en vrouwelijkheid, zoals je zegt: "het leger is verslagen" (al-jaysh munhazim) en "het krijgsvolk is in aantocht" (al-jund muqbil),⁽⁴⁴⁾ waarbij je het werkwoord in het enkelvoud zet vanwege de enkelvoudige vorm van het woord "leger" en "krijgsvolk". Het is echter niet toegestaan te zeggen: "het leger is een man, en het krijgsvolk is een jongen", totdat je zegt: "het krijgsvolk zijn jongens en het leger zijn mannen". Want het enkelvoud uit de getelde naamwoorden die niet zijn afgeleid van "faʿala wa-yafʿalu", drukt niet de betekenis van de gezamenlijkheid daarvan uit. En daartoe behoort de uitspraak van de dichter:
"En wanneer zij eten, dan de laagste der eters, en wanneer zij hongeren, dan de slechtste der hongerigen."⁽⁴⁵⁾
Zo zette hij het de ene keer in het enkelvoud, overeenkomstig wat ik heb beschreven over de bedoeling van "man" en het stellen van het uitdrukkelijke naamwoord dat is afgeleid van "faʿala wa-yafʿalu" op diens plaats, en de andere keer zette hij het in het meervoud, overeenkomstig het aantal van de naamwoorden van degenen over wie wordt bericht. En als hij het enkelvoud had gebruikt waar hij het meervoud gebruikte, of het meervoud waar hij het enkelvoud gebruikte, dan was dat juist en toegestaan geweest.⁽⁴⁶⁾
Wat betreft de uitleg daarvan: Hij bedoelt daarmee: O gemeenschap van schriftgeleerden (aḥbār) der Mensen van het Boek, erkent als waar wat Ik aan Mijn boodschapper Mohammed ﷺ heb neergezonden van de Koran, die jullie Boek bevestigt, en wat jullie bezitten aan de Torah en het Evangelie, waarin jullie is toevertrouwd dat hij Mijn boodschapper en Mijn profeet is, gezonden met de waarheid; en weest niet de eersten van jullie gemeenschap die hem verloochent⁽⁴⁸⁾ en ontkent dat hij van Mij afkomstig is, terwijl jullie omtrent hem kennis bezitten die een ander niet bezit.
Hun ongeloof daarin is: hun ontkenning dat het van Allah afkomstig is.⁽⁴⁹⁾ En de "hā" in "daarin" (bihi) verwijst naar "wat" (mā) dat staat in Zijn uitspraak وَآمِنُوا بِمَا أَنْـزَلْتُ (En geloof in wat Ik heb neergezonden). Zoals:—
817 — Al-Qāsim heeft mij verteld, hij zei: Al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft ons verteld, hij zei: Ibn Jurayj zei over Zijn uitspraak "En weest niet de eerste ongelovige daarin": in de Koran.⁽⁵⁰⁾
Abū Jaʿfar zei: En er is van Abū al-ʿĀliya daaromtrent overgeleverd, namelijk wat:—
818 — Al-Muthannā heeft mij dit verteld, hij zei: Ādam heeft ons verteld, hij zei: Abū Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van al-Rabīʿ, op gezag van Abū al-ʿĀliya: "En weest niet de eerste ongelovige daarin", hij zei: Weest niet de eersten die ongelovig zijn aan Mohammed ﷺ.⁽⁵¹⁾
En sommigen van hen zeiden: "En weest niet de eerste ongelovige daarin", betekent: aan jullie Boek. En zij leggen het zo uit dat in hun verloochening van Mohammed ﷺ een verloochening van hen voor hun Boek ligt, omdat in hun Boek het gebod staat om Mohammed ﷺ te volgen.
Deze twee opvattingen liggen echter ver verwijderd van de uiterlijke betekenis waarop de recitatie wijst. Dat komt omdat Allah, verheven is Zijn lof, in het begin van deze vers degenen die aangesproken worden, gebood te geloven in wat aan Mohammed ﷺ is neergezonden, want Hij zei, verheven is Zijn vermelding: وَآمِنُوا بِمَا أَنْـزَلْتُ مُصَدِّقًا لِمَا مَعَكُمْ (En geloof in wat Ik heb neergezonden ter bevestiging van wat jullie reeds bezitten). En het is begrijpelijk dat hetgeen Allah in de tijd van Mohammed ﷺ neerzond, de Koran is, niet Mohammed, want Mohammed — Allahs zegeningen zij over hem — is een gezonden boodschapper, geen neergezonden openbaring; en het neergezondene is het Boek. Vervolgens verbood Hij hun de eersten te zijn die ongelovig zijn aan datgene waarin Hij hun aan het begin van de vers gebood te geloven,⁽⁵²⁾ terwijl er in deze vers geen uitdrukkelijke vermelding van Mohammed ﷺ heeft plaatsgevonden waarnaar door middel van een verborgen verwijzing zou kunnen worden teruggegrepen in Zijn uitspraak "En weest niet de eerste ongelovige daarin" — al is het in de taal niet onmogelijk dat de verborgen verwijzing van een naam wordt vermeld waarvan geen uitdrukkelijke vermelding in de uitspraak heeft plaatsgevonden.⁽⁵³⁾
Evenzo heeft de uitspraak geen betekenis van degene die beweert dat de terugverwijzende aanduiding in "daarin" (bihi) terugslaat op "wat" (mā) dat staat in Zijn uitspraak لِمَا مَعَكُمْ (van wat jullie reeds bezitten). Want dat, ook al is het volgens de uiterlijke betekenis van de uitspraak mogelijk,⁽⁵⁴⁾ ligt toch ver verwijderd van waarop de uiterlijke betekenis van de recitatie en de openbaring wijst, vanwege wat wij eerder hebben beschreven, namelijk dat datgene waarin aan het begin van de vers geboden wordt te geloven, de Koran is. Zo is dan ook noodzakelijk dat datgene waarvan het ongeloof aan het eind ervan verboden wordt, de Koran is.⁽⁵⁵⁾ En dat datgene waarin geboden wordt te geloven iets anders zou zijn dan datgene waarvan het ongeloof verboden wordt, binnen één uitspraak en één vers — dat behoort niet tot het meest gangbare en duidelijkste in de taal. Dit naast de verafgelegenheid van die betekenis in de uitleg.⁽⁵⁶⁾
819 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Ibn Isḥāq, op gezag van Muḥammad ibn Abī Muḥammad, de vrijgelatene van Zayd ibn Thābit, op gezag van ʿIkrima, of op gezag van Saʿīd ibn Jubayr, op gezag van Ibn ʿAbbās: "En geloof in wat Ik heb neergezonden ter bevestiging van wat jullie reeds bezitten, en weest niet de eerste ongelovige daarin", terwijl jullie daaromtrent kennis bezitten die een ander niet bezit.⁽⁵⁷⁾
* * *
Uitleg over de betekenis van Zijn uitspraak, verheven is Zijn vermelding: وَلا تَشْتَرُوا بِآيَاتِي ثَمَنًا قَلِيلا (En verkoop Mijn tekenen niet voor een geringe prijs)
Abū Jaʿfar zei: De mensen van de uitleg zijn van mening verschild over de uitleg daarvan:
820 — Al-Muthannā ibn Ibrāhīm heeft mij verteld, hij zei: Ādam heeft ons verteld, hij zei: Abū Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van al-Rabīʿ, op gezag van Abū al-ʿĀliya: "En verkoop Mijn tekenen niet voor een geringe prijs", hij zei: Neemt daar geen loon voor. Hij zei: Het staat bij hen geschreven in het Eerste Boek: O zoon van Adam, onderwijs gratis (majjānan) zoals jij gratis onderwezen bent.⁽⁵⁸⁾
En anderen zeiden, namelijk wat:—
821 — Mūsā ibn Hārūn heeft mij dit verteld, hij zei: ʿAmr ibn Ḥammād heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: "En verkoop Mijn tekenen niet voor een geringe prijs", hij zei: Neemt geen geringe begeerte aan en verbergt de naam van Allah; en die prijs is de begeerte.⁽⁵⁹⁾
De uitleg van de vers is dan: Verkoopt niet wat Ik jullie heb gegeven aan kennis door middel van Mijn Boek en Mijn tekenen, voor een verachtelijke prijs en een geringe wereldse waar. Hun verkoop daarvan is: hun nalaten om aan de mensen duidelijk te maken wat in hun Boek staat omtrent Mohammed ﷺ, en dat daarin geschreven staat dat hij de ongeletterde profeet is die zij bij hen opgeschreven aantreffen in de Torah en het Evangelie — voor een geringe prijs, en dat is hun tevredenheid met het leiderschap over hun volgelingen onder de mensen van hun geloofsgemeenschap en hun religie, en hun aannemen van loon van degenen aan wie zij dat duidelijk maakten, voor hetgeen zij hun daarvan duidelijk maakten.
Wij zeiden enkel dat de betekenis daarvan is: "Verkoopt niet",⁽⁶⁰⁾ omdat degene die een geringe prijs koopt met de tekenen van Allah, de tekenen verkoopt voor die prijs; dus ieder van de prijs en het verkochte is een verkochte zaak voor zijn tegenpartij, en zijn tegenpartij is daarvan de koper. En de betekenis daarvan is, overeenkomstig hoe Abū al-ʿĀliya het heeft uitgelegd:⁽⁶¹⁾ Maakt aan de mensen de zaak van Mohammed ﷺ duidelijk, en streeft daarvoor geen loon van hen na. In dat geval is dan Zijn verbod om loon te nemen voor het duidelijk maken ervan, hetzelfde als het verbod om een geringe prijs te kopen met Zijn tekenen.
* * *
Uitleg over de betekenis van Zijn uitspraak, verheven is Zijn vermelding: وَإِيَّايَ فَاتَّقُونِ (En vreest Mij alleen)
Abū Jaʿfar zei: Hij zegt: Vreest Mij — bij jullie verkoop van Mijn tekenen voor een verachtelijke prijs, en jullie kopen daarmee van het geringe der wereldse waar, en jullie ongeloof aan wat Ik aan Mijn boodschapper heb neergezonden, en jullie ontkenning van het profeetschap van Mijn profeet — dat Ik over jullie zal brengen wat Ik over jullie voorgangers heb gebracht, die jullie weg bewandelden, aan voorbeeldige straffen en wraakgerichten.
------------
Voetnoten:
(37) Zie wat eerder is voorafgegaan: 234, 235.
(38) Zijn woord "qaṭʿ" betekent: een ḥāl (toestandsbepaling). Zie wat eerder is voorafgegaan, blz. 230, aantekening 4, en blz. 330, aantekening 1.
(39) De overlevering 814 — staat in Ibn Kathīr 1:150 (impliciet), al-Durr al-Manthūr 1:264 en al-Shawkānī 1:61.
(40) De overlevering 815 — staat in Ibn Kathīr 1:150, al-Durr al-Manthūr 1:64 en al-Shawkānī 1:61.
(41) In de gedrukte uitgave staat op de drie plaatsen: "li-jamʿ … li-jamʿ … jamʿ".
(42) In de gedrukte uitgave staat op de drie plaatsen: "li-jamʿ … li-jamʿ … jamʿ".
(43) In de gedrukte uitgave staat op de drie plaatsen: "li-jamʿ … li-jamʿ … jamʿ".
(44) In de gedrukte uitgave: "al-jaysh yanhazim, wa-al-jund yuqbil", en dat is een zuivere fout.
(45) Nawādir Abī Zayd: 152, van een man uit de tijd van onwetendheid (jāhilī), en Maʿānī al-Qurʾān van al-Farrāʾ 1:33. Het zijn drie nawādir-verzen, en daaraan voorafgaand:
"En een nietswaardige, het uitschot der honden, hekelt mij; laat dan het luisteren naar de achterwerken der honden een luisteren zijn.
Bestaat er iets anders dan jullie aanvallen op jullie buurvrouwen, voor jullie buiken, bij het invallen der duisternis, als oproepingen?"
En zijn woord "ṭaʿimū" betekent: zij werden verzadigd, en zij zijn dan laagstaander dan een verzadigde. En in de ḥadīth staat: "Het voedsel van één volstaat voor twee, en het voedsel van twee volstaat voor vier", dat wil zeggen: de verzadiging van één is het voedsel voor twee, en de verzadiging van twee is het voedsel voor vier.
(46) Zie iets vergelijkbaars met wat al-Ṭabarī zei in Maʿānī al-Qurʾān van al-Farrāʾ 1:32-33.
(47) In de gedrukte uitgave: "fa-ammā …" met de fāʾ.
(48) In de gedrukte uitgave: "de eerste die hem verloochende", maar wat wij hebben vastgesteld is de juiste weergave van al-Ṭabarī's uiteenzetting.
(49) In het handschrift: "en hun ongeloof daarin en hun ontkenning …", en dat is een fout.
(50) De overlevering 817 — staat in al-Durr al-Manthūr 1:64 en al-Shawkānī 1:61.
(51) De overlevering 818 — staat in Ibn Kathīr 1:150, al-Durr al-Manthūr 1:64 en al-Shawkānī 1:61.
(52) In de gedrukte uitgave is er een toevoeging tussen deze twee zinnen, die ingelast is, de uitspraak bederft en in de context misstaat. De tekst ervan luidt: "… aan het begin van de vers, onder de Mensen van het Boek, en dat is het duidelijke en begrijpelijke. En er heeft geen vermelding van Mohammed plaatsgevonden …".
(53) Al-Ṭabarī's uiteenzetting is voortreffelijk en hecht, ook al meende sommigen die zijn uitspraak overnamen dat beide opvattingen juist zijn, omdat zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn — want wie ongelovig is aan de Koran, is daarmee ongelovig aan Mohammed ﷺ, en wie ongelovig is aan Mohammed ﷺ, is daarmee ongelovig aan de Koran (Ibn Kathīr 1:150). En inderdaad, beide opvattingen zijn op zichzelf qua betekenis juist, maar al-Ṭabarī bepaalt de strekking van de woorden en de voornaamwoorden in de vers, en wijst aan wat de uiterlijke betekenis van de recitatie en de openbaring toelaat, en onderscheidt de ene betekenis van de andere, ook al zijn beide juist naar het verstand, juist naar het oordeel, en juist naar de religie. En hoe vaak gaan mensen niet lichtvaardig te werk wanneer de betekenissen elkaar naderen, terwijl niemand de ene betekenis van de andere onderscheidt behalve iemand die scherp inzicht heeft in het Arabisch zoals Abū Jaʿfar, moge Allah tevreden over hem zijn.
(54) In de gedrukte uitgave: "muḥtamal ẓāhir al-kalām".
(55) In het handschrift: "… dat het gebod tot het geloven daarin aan het begin van de vers … dat het verbod op het ongeloof daarin aan het eind ervan …", en wat in de gedrukte uitgave staat is beter en duidelijker.
(56) En ook dit behoort tot het voortreffelijke inzicht, volgens de logica van het Arabisch, ook al achtte sommigen het van dichtbij nabij.
(57) Het bericht 819 — vormt het complement van de eerdere berichten met de nummers 805 en 811, in al-Durr al-Manthūr 1:63.
(58) De overlevering 820 — vormt het complement van de eerdere overlevering nr. 818, en de verwijzingen daarvoor staan daar. En in Ibn Kathīr 1:151. En "al-majjān" betekent: het geven van iets zonder verplichting en zonder prijs. Abū al-ʿAbbās zei: Ik hoorde Ibn al-Aʿrābī zeggen: "al-majjān" betekent bij de Arabieren "het waardeloze", en zij zeiden: "majjān-water". Al-Azharī zei: De Arabieren zeggen: "majjān"-dadels en "majjān"-water, waarmee zij bedoelen dat het overvloedig en toereikend is. Hij zei: Een bedoeïen vroeg mij om dadels en ik gaf hem een klomp en verontschuldigde mij bij hem voor de geringheid ervan, waarop hij zei: Dit is bij Allah "majjān", dat wil zeggen: overvloedig en toereikend. En hun uitspraak "hij nam het majjānan" betekent: zonder tegenprestatie, en het is van de vorm "faʿʿāl" omdat het verbuigbaar is (al-Lisān: m-j-n).
(59) De overlevering 821 — staat in Ibn Kathīr 1:151. En in de gedrukte uitgave en in Ibn Kathīr: "dus die begeerte is de prijs", en ik heb vastgesteld wat in het handschrift staat, want dat is beter.
(60) In de gedrukte uitgave: "Wij zeiden enkel: de betekenis daarvan …".
(61) In de gedrukte uitgave: "En de betekenis ervan is, overeenkomstig hoe hij het heeft uitgelegd …".