Tabari
Terug naar surah 2, ayah 39

Tafseer van De Koe · Al-Baqara · 2:39

وَٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ وَكَذَّبُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَآ أُو۟لَٰٓئِكَ أَصْحَٰبُ ٱلنَّارِ ۖ هُمْ فِيهَا خَٰلِدُونَ

Maar degenen die niet geloven en Onze Verzen loochenen, diegenen zijn de bewoners van de Hel, zij zijn daarin eeuwig levenden.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    En Zijn woord: وَالَّذِينَ كَفَرُوا وَكَذَّبُوا بِآيَاتِنَا أُولَئِكَ أَصْحَابُ النَّارِ هُمْ فِيهَا خَالِدُونَ (39)

    (En zij die ongelovig zijn en Onze tekenen loochenen — zij zijn de bewoners van het Vuur; daarin zullen zij eeuwig verblijven.) (39)

    Dit betekent: en zij die Mijn tekenen verwierpen en Mijn boodschappers van leugens betichtten. De tekenen van Allah (āyāt Allāh) zijn Zijn bewijzen en aanwijzingen voor Zijn eenheid en Zijn heerschappij, alsook datgene wat de boodschappers aan kentekenen en getuigenissen daarvoor hebben gebracht, en als bewijs voor hun waarachtigheid in datgene wat zij over hun Heer hebben verkondigd. Wij hebben reeds uiteengezet dat de betekenis van kufr (ongeloof) het bedekken van iets is.

    "Zij zijn de bewoners van het Vuur" — dat wil zeggen: de mensen ervan, die de bewoners ervan zijn met uitsluiting van anderen, en die er eeuwig in zullen verblijven, voor altijd, zonder einde en zonder grens. Zoals:

    797 — ʿUqbah ibn Sinān al-Baṣrī heeft ons dit verteld, hij zei: Ghassān ibn Muḍar heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd ibn Yazīd heeft ons verteld. — En Sawwār ibn ʿAbd Allāh al-ʿAnbarī heeft ons verteld, hij zei: Bishr ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Abū Maslamah Saʿīd ibn Yazīd heeft ons verteld. — En Yaʿqūb ibn Ibrāhīm en Abū Bakr ibn ʿAwn hebben mij verteld, zij beiden zeiden: Ismāʿīl ibn ʿUlayyah heeft ons verteld, op gezag van Saʿīd ibn Yazīd — op gezag van Abū Naḍrah, op gezag van Abū Saʿīd al-Khudrī, die zei: De Boodschapper van Allah ﷺ zei: "Wat betreft de bewoners van het Vuur die er werkelijk de bewoners van zijn: zij sterven daarin niet en zij leven daarin niet. Maar er zijn groepen mensen die het Vuur heeft getroffen vanwege hun misslagen of vanwege hun zonden; het doet hen waarlijk sterven, totdat zij, wanneer zij houtskool zijn geworden, toestemming wordt gegeven voor de voorspraak (shafāʿah)."

    ---

    Voetnoten:

    (14) Zie hetgeen voorafging op blz. 255.

    (15) De overlevering 797 — Ṭabarī heeft haar hier overgeleverd met drie isnāds, die alle eindigen bij Saʿīd ibn Yazīd. Ibn Kathīr heeft haar vermeld (1:158), maar hij heeft zich vergist en vermeld dat hij haar via twee wegen heeft overgeleverd, terwijl het er drie zijn, zoals je ziet:

    "ʿUqbah ibn Sinān ibn ʿUqbah ibn Sinān al-Baṣrī" — de leermeester van Ṭabarī in de eerste isnād: betrouwbaar (thiqah); Abū Ḥātim heeft van hem gehoord en zei: "waarheidsgetrouw (ṣadūq)." Ik heb voor hem geen biografische vermelding gevonden behalve in al-Jarḥ wa-l-taʿdīl 3/1/311. En "Ghassān ibn Muḍar al-Azdī al-Baṣrī": betrouwbaar, een van de oudere leermeesters van Aḥmad; Aḥmad zei: "een betrouwbare, betrouwbare leermeester." Al-Bukhārī heeft hem een biografie gewijd in al-Kabīr 4/1/107, en Ibn Abī Ḥātim 3/2/51. En "Abū Bakr ibn ʿAwn" — de leermeester van Ṭabarī in de derde isnād: ik heb niet kunnen achterhalen wie hij is. Dit heeft echter geen invloed op de isnād, want Ṭabarī heeft haar overgeleverd van hem en van Yaʿqūb ibn Ibrāhīm al-Dawraqī, beiden op gezag van Ibn ʿUlayyah. En "Saʿīd ibn Yazīd ibn Maslamah Abū Maslamah al-Azdī al-Baṣrī": een betrouwbare tābiʿī, de [overleveraars van de] gehele [verzameling] hebben van hem overgeleverd. Al-Bukhārī heeft hem een biografie gewijd 2/1/476, en Ibn Abī Ḥātim 2/1/73. Zijn kunyah is "Abū Maslamah" met een mīm aan het begin. In de tafsīr van Ibn Kathīr staat "Abū Salamah" met weglating daarvan, en dat is een drukfout.

    Deze overlevering is overgeleverd door Muslim (1:67-68) en Ibn Mājah (4309) — beiden via de weg van Bishr ibn al-Mufaḍḍal, op gezag van Saʿīd ibn Yazīd Abū Maslamah, met deze [isnād]. Maar bij hen beiden is zij langer dan hier. Niemand van de auteurs van de zes [canonieke] boeken heeft haar overgeleverd behalve deze twee, zoals de verwijzing ernaar in Jāmiʿ al-uṣūl van Ibn al-Athīr (8085) aangeeft. Eveneens heeft Imam Aḥmad haar overgeleverd in de Musnad (11093) (3:11, Ḥalabī-uitgave) op gezag van Ibn ʿUlayyah. Ook hebben Aḥmad (11769) (3:78-79) en Muslim (1:68) haar overgeleverd — beiden via de weg van Shuʿbah, op gezag van Saʿīd ibn Yazīd.

    In werkelijkheid is zij een deel van een lange overlevering, en Aḥmad heeft haar in de Musnad overgeleverd, zowel in uitgebreide als in verkorte vorm, via verschillende wegen, op gezag van Abū Naḍrah, waaronder: 11029, 11168, 11218-11220 (3:5, 20, 25-26, Ḥalabī-uitgave).

    Toon originele Arabische tekst
    وقوله : وَالَّذِينَ كَفَرُوا وَكَذَّبُوا بِآيَاتِنَا أُولَئِكَ أَصْحَابُ النَّارِ هُمْ فِيهَا خَالِدُونَ (39) يعني: والذين جَحدوا آياتي وكذّبوا رسلي. وآيات الله: حُجَجه وأدلتُه على وحدانيّته وربوبيّته، وما جاءت به الرُّسُل من الأعلام والشواهد على ذلك، وعلى صدقها فيما أنبأتْ عن ربّها. وقد بيّنا أن معنى الكفر، التغطيةُ على الشيء (14) . " أولئك أصحاب النار "، يعني: أهلُها الذين هم أهلها دون غيرهم، المخلدون فيها أبدًا إلى غير أمَدٍ ولا نهاية. كما:- 797- حدثنا به عُقبة بن سنان البصري، قال: حدثنا غَسان بن مُضَر، قال حدثنا سعيد بن يزيد - وحدثنا سَوَّار بن عبد الله العنبري، قال: حدثنا بشر بن المفضل، قال: حدثنا أبو مَسْلَمَة سعيد بن يزيد - وحدثني يعقوب بن إبراهيم، وأبو بكر بن عون، قالا حدثنا إسماعيل بن عُلَيَّة، عن سعيد بن يزيد - عن أبي نَضْرة، عن أبي سعيد الخدري، قال: قال رسول الله صلى الله عليه وسلم: أمّا أهل النار الذين هم أهلها فإنهم لا يموتون فيها ولا يَحْيَون، ولكن أقوامًا أصابتْهم النارُ بخطاياهم أو بذنوبهم، فأماتتهم إماتة، حتى إذا صاروا فحمًا أُذِنَ في الشفاعة (15) . --------------- الهوامش : (14) انظر ما مضى ص : 255 . (15) الحديث : 797- رواه الطبري هنا بثلاثة أسانيد ، تنتهي إلى سعيد بن يزيد . وذكره ابن كثير 1 : 158 ، ولكنه سها فذكر أنه رواه من طريقين ، وهي ثلاثة كما ترى : و"عقبة بن سنان بن عقبة بن سنان البصري" - شيخ الطبري في الإسناد الأول : ثقة ، سمع منه أبو حاتم ، وقال : "صدوق" . ولم أجد له ترجمة إلا في الجرح والتعديل 3/1/311 . و"غسان بن مضر الأزدي البصري" : ثقة من شيوخ أحمد القدماء ، وقال أحمد : "شيخ ثقة ثقة" . وترجمه البخاري في الكبير 4/1/107 ، وابن أبي حاتم 3/2/51 . و"أبو بكر بن عون" - شيخ الطبري في الإسناد الثالث : لم أستطع أن أعرف من هو؟ ولا أثر لذلك في الإسناد ، فإن الطبري رواه عنه وعن يعقوب بن إبراهيم الدورقي ، كلاهما عن ابن علية . و"سعيد بن يزيد بن مسلمة أبو مسلمة الأزدي البصري" : تابعي ثقة ، روى له الجماعة . وترجمه البخاري 2/1/476 ، وابن أبي حاتم 2/1/73 . وكنيته"أبو مسلمة" بالميم في أولها . ووقع في تفسير ابن كثير"أبو سلمة" بحذفها ، وهو خطأ مطبعي . وهذا الحديث رواه مسلم 1 : 67-68 ، وابن ماجه : 4309- كلاهما من طريق بشر بن المفضل ، عن سعيد بن يزيد أبي مسلمة ، به . ولكنه عندهما أطول مما هنا . ولم يروه من أصحاب الكتب الستة غيرهما ، كما يدل على ذلك تخريجه في جامع الأصول لابن الأثير : 8085 . وكذلك رواه الإمام أحمد في المسند : 11093 (3 : 11 حلبي) عن ابن علية . ورواه أيضًا أحمد : 11769 (3 : 78-79) ، ومسلم 1 : 68- كلاهما من طريق شعبة ، عن سعيد بن يزيد . وهو في الحقيقة جزء من حديث طويل ، ورواه أحمد في المسند ، مطولا ومختصرًا ، من أوجه ، عن أبي نضرة ، منها : 11029 ، 11168 ، 11218- 11220 (3 : 5 ، 20 ، 25-26 حلبي) .