Tabari
Terug naar surah 2, ayah 38

Tafseer van De Koe · Al-Baqara · 2:38

قُلْنَا ٱهْبِطُوا۟ مِنْهَا جَمِيعًۭا ۖ فَإِمَّا يَأْتِيَنَّكُم مِّنِّى هُدًۭى فَمَن تَبِعَ هُدَاىَ فَلَا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلَا هُمْ يَحْزَنُونَ

Wij zeiden: "Daalt allen af uit haar (het Paradijs). En Zodra er van Mij Leiding tot jullie komt; wie dan Mijn Leiding volgen: er zal geen vrees over hen komen en zij zullen niet treuren."

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    Het betoog over de uitleg van Zijn verheven woord: قُلْنَا اهْبِطُوا مِنْهَا جَمِيعًا ("Wij zeiden: Daalt allen daaruit neder").

    Abū Jaʿfar zei: Wij hebben het betoog over de uitleg van Zijn woord "Wij zeiden: Daalt allen daaruit neder" reeds eerder uiteengezet,¹ zodat er voor ons geen behoefte bestaat het te herhalen, aangezien de betekenis ervan op deze plaats dezelfde is als de betekenis ervan op die plaats.

    793 – En Yaʿqūb ibn Ibrāhīm heeft mij verteld, hij zei: Hushaym heeft ons verteld, hij zei: Ismāʿīl ibn Sālim heeft ons bericht, op gezag van Abū Ṣāliḥ, over Zijn woord "Daalt allen daaruit neder", dat hij zei: [Het betreft] Ādam, Ḥawwāʾ (Eva), de slang en Iblīs.²

    Het betoog over de uitleg van Zijn woord, wiens vermelding verheven is: فَإِمَّا يَأْتِيَنَّكُمْ مِنِّي هُدًى ("En zo er dan leiding van Mij tot jullie komt").

    Abū Jaʿfar zei: De uitleg van Zijn woord "fa-immā yaʾtiyannakum" is: "indien er tot jullie komt". De "mā" die met "in" verbonden is, dient als versterking van de uitspraak, en wegens haar binnentreden met "in" is de verdubbelde nūn aan "yaʾtiyannakum" toegevoegd, ter onderscheiding — door haar binnentreden — tussen de "mā" die de betekenis van versterking van de uitspraak heeft (die de taalgeleerden ṣila en ḥashw — een verbindende, opvullende toevoeging — noemen) en de "mā" die de betekenis van "datgene wat" (alladhī) heeft. Zo geeft zij door haar binnentreden in het werkwoord te kennen dat de "mā" die met "in" verbonden is in de betekenis van voorwaarde (jazāʾ), een versterking is en niet de "mā" die de betekenis van "alladhī" heeft.

    Sommige grammatici van de school van Basra³ hebben gezegd: "Immā" is "in" waaraan "mā" is toegevoegd, en het werkwoord dat erop volgt krijgt de lichte of de zware nūn, hoewel het ook zonder nūn kan voorkomen. De nūn is daarin slechts welluidend geworden toen "mā" erin binnentrad, omdat "mā" een ontkenning is; zij behoort dus tot datgene wat niet noodzakelijk-bevestigend is, en zij is het partikel dat het bevestigende ontkent, zodat de nūn daarin welluidend werd — zoals in hun uitspraak: "bi-ʿaynin mā arayannak" ("met een oog, voorwaar laat ik het je zien"), waar de nūn welluidend werd toen "mā" erin binnentrad, evenals hier het geval is.

    Maar een groep taalgeleerden heeft de bewering van de uitspreker van deze stelling verworpen⁴: dat de "mā" in "bi-ʿaynin mā arayannak" de betekenis van ontkenning (jaḥd) zou hebben; zij beweerden dat dit de betekenis van versterking van de uitspraak heeft.

    En anderen zeiden: Veeleer is het een opvulling (ḥashw) in de uitspraak, en haar betekenis is weglaatbaarheid, want de eigenlijke betekenis van de uitspraak is: "bi-ʿaynin arāk" ("met een oog zie ik je"). Het is niet toelaatbaar om iets waarover verschil van mening bestaat tot grondbeginsel te maken waarop iets anders geanalogiseerd wordt.

    * * *

    Het betoog over de uitleg van Zijn woord, wiens vermelding verheven is: مِنِّي هُدًى فَمَنْ تَبِعَ هُدَايَ فَلا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلا هُمْ يَحْزَنُونَ ("van Mij leiding; en wie dan Mijn leiding volgt, over hen zal geen vrees komen, noch zullen zij treuren") (38).

    Abū Jaʿfar zei: De "leiding" (al-hudā) betekent op deze plaats de verheldering en de juiste begeleiding (al-bayān wa-l-rashād). Zoals:—

    794 – al-Muthannā ibn Ibrāhīm heeft ons verteld, hij zei: Ādam al-ʿAsqalānī heeft ons verteld, hij zei: Abū Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van al-Rabīʿ, op gezag van Abū al-ʿĀliya, over Zijn woord "En zo er dan leiding van Mij tot jullie komt", dat hij zei: De leiding zijn de profeten, de boodschappers en de verheldering.⁵

    Indien wat Abū al-ʿĀliya hierover gezegd heeft inderdaad is zoals hij zei, dan moet de aanspraak in Zijn woord "Daalt neder", ook al was zij gericht tot Ādam en zijn echtgenote, opgevat worden als bedoeld voor Ādam, zijn echtgenote én hun nageslacht. Dit zou dan vergelijkbaar zijn met Zijn woord: فَقَالَ لَهَا وَلِلأَرْضِ اِئْتِيَا طَوْعًا أَوْ كَرْهًا قَالَتَا أَتَيْنَا طَائِعِينَ ("Toen zei Hij tot haar en tot de aarde: Komt, gewillig of onwillig. Zij beiden zeiden: Wij komen gewillig") [Surah Fuṣṣilat: 11], in de betekenis van: "Wij komen met al de schepselen die in ons zijn, gewillig." En vergelijkbaar met Zijn woord in de lezing van Ibn Masʿūd: (رَبَّنَا وَاجْعَلْنَا مُسْلِمِينَ لَكَ وَمِنْ ذُرِّيَّتِنَا أُمَّةً مُسْلِمَةً لَكَ وَأَرِهِمْ مَنَاسِكَهُمْ) ("Onze Heer, maak ons U onderworpen en maak uit ons nageslacht een gemeenschap die U onderworpen is, en toon hun [hum] hun riten") [Surah al-Baqarah: 128], waar hij het meervoud gebruikte vóórdat er nageslacht was, terwijl het in onze lezing luidt: وَأَرِنَا مَنَاسِكَنَا ("en toon ons [naa] onze riten"). En zoals iemand tot een ander zegt: "Het is alsof je al getrouwd bent en er een kind voor je is geboren, en jullie zijn talrijk en machtig geworden" — en dergelijke uitspraken.

    Wij hebben slechts gezegd dat dit het noodzakelijke is volgens de uitleg die wij van Abū al-ʿĀliya vermeld hebben, omdat Ādam zelf gedurende zijn levensdagen de profeet was, nadat hij naar de aarde was neergedaald,⁶ en de boodschapper van Allah — verheven zij Zijn lofprijzing — tot zijn kinderen. Het is dus niet toelaatbaar dat hij — terwijl hij zelf de boodschapper ﷺ was — bedoeld zou zijn met Zijn woord "En zo er dan leiding van Mij tot jullie komt" als aanspraak tot hem en zijn echtgenote, [in de zin van] "En zo er dan profeten en boodschappers van Mij tot jullie komen",⁷ tenzij volgens de uitleg die ik beschreven heb.

    En de uitspraak van Abū al-ʿĀliya hierover — ook al is zij een uitleg-mogelijkheid die het vers kan dragen — staat naar mijn mening verder af van het juiste dan datgene wat dichter bij de uiterlijke strekking van de recitatie ligt, namelijk dat haar uitleg luidt: "En zo er dan tot jullie komt, o schare van wie naar de aarde uit Mijn hemel is neergedaald⁸ — en dat is Ādam, zijn echtgenote en Iblīs, zoals wij eerder bij de uitleg van het voorafgaande vers vermeld hebben — zo er dan van Mij tot jullie een verheldering komt aangaande Mijn gebod en gehoorzaamheid aan Mij, en een juiste begeleiding naar Mijn weg en Mijn religie, dan zal er over wie van jullie haar volgt geen vrees komen, noch zullen zij treuren, ook al is er voorheen van hen jegens Mij ongehoorzaamheid en tegenstand tegen Mijn gebod en gehoorzaamheid aan Mij voorgevallen." Hiermee laat Hij — verheven zij Zijn lofprijzing — hun weten dat Hij Degene is die de berouwvolle aanvaardt onder wie zich tot Hem in berouw wendt vanwege zijn zonden, en de Barmhartige is voor wie zich tot Hem keert, zoals Hij Zichzelf beschreven heeft met Zijn woord: إِنَّهُ هُوَ التَّوَّابُ الرَّحِيمُ ("Voorwaar, Hij is de Aanvaarder van berouw, de Barmhartige").

    Dit is zo omdat de uiterlijke strekking van die aanspraak slechts gericht is tot degenen tot wie Hij — verheven zij Zijn lofprijzing — zei: اهْبِطُوا مِنْهَا جَمِيعًا ("Daalt allen daaruit neder"). En degenen die daarmee aangesproken werden, zijn diegenen die wij genoemd hebben in het gezaghebbende getuigenis van de metgezellen (ṣaḥāba) en de Volgers (tābiʿūn), van wie wij reeds de overlevering hebben aangevoerd.⁹ Dit — ook al is het een aanspraak van Allah, verheven zij Zijn vermelding, tot wie destijds uit de hemel naar de aarde werd neergedaald — is de bestendige gewoonte (sunna) van Allah onder al Zijn schepselen, en een mededeling van Hem daaromtrent aan degenen over wie Hij aan het begin van deze surah heeft bericht met wat Hij over hen bericht heeft in Zijn woord:¹⁰ إِنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا سَوَاءٌ عَلَيْهِمْ أَأَنْذَرْتَهُمْ أَمْ لَمْ تُنْذِرْهُمْ لا يُؤْمِنُونَ ("Voorwaar, voor degenen die ongelovig zijn (kafarū) is het gelijk of je hen waarschuwt of niet waarschuwt: zij geloven niet") [Surah al-Baqarah: 6], en in Zijn woord: وَمِنَ النَّاسِ مَنْ يَقُولُ آمَنَّا بِاللَّهِ وَبِالْيَوْمِ الآخِرِ وَمَا هُمْ بِمُؤْمِنِينَ ("En onder de mensen zijn er die zeggen: Wij geloven in Allah en in de Laatste Dag, terwijl zij niet gelovig zijn") [Surah al-Baqarah: 8] — en dat Zijn oordeel over hen — indien zij zich tot Hem in berouw wenden en zich bekeren en volgen wat tot hen gekomen is aan verheldering van bij Allah, door de tong van Zijn boodschapper Muḥammad ﷺ — is dat zij bij Hem in het hiernamaals behoren tot hen over wie geen vrees zal komen, noch zullen zij treuren; en dat zij, indien zij in hun ongeloof (kufr) en dwaling te gronde gaan vóór de bekering en het berouw, zullen behoren tot de bewoners van het Vuur (al-nār) die daarin voor eeuwig blijven.

    En Zijn woord "Wie dan Mijn leiding volgt" betekent: wie dan Mijn verheldering volgt die Ik door de tongen van Mijn boodschappers, of met Mijn boodschappers, heb gezonden.¹¹ Zoals:—

    795 – al-Muthannā heeft het ons verteld, hij zei: Ādam heeft ons verteld, hij zei: Abū Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van al-Rabīʿ, op gezag van Abū al-ʿĀliya: "Wie dan Mijn leiding volgt" — hij bedoelt: Mijn verheldering.¹²

    * * *

    En Zijn woord "over hen zal geen vrees komen" betekent: zij zijn veilig te midden van de verschrikkingen van de Opstanding voor de bestraffing van Allah, niet vrezend voor Zijn kwelling, vanwege het feit dat zij Allah in het wereldse leven gehoorzaamden en Zijn gebod, Zijn leiding en Zijn weg volgden; "noch zullen zij treuren" op die Dag over wat zij na hun heengaan in het wereldse leven hebben achtergelaten. Zoals:—

    796 – Yūnus ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei: "over hen zal geen vrees komen" — hij zegt: er zal geen vrees over jullie komen in wat vóór jullie ligt.¹³

    En er is niets dat zwaarder weegt in de borst van degene die sterft dan wat ná de dood komt. Daarom stelde Hij hen daarvoor gerust en troostte Hij hen over [het verlies van] het wereldse, en zei: "noch zullen zij treuren".

    ----------

    Voetnoten:

    (1) Zie p. 534.

    (2) De overlevering 793 – Ik heb haar met deze isnād niet aangetroffen; zie het voorafgaande, de nummers 754 en volgende.

    (3) In de gedrukte editie: "de grammatici, de Basriërs".

    (4) In de gedrukte editie: "En een groep heeft verworpen … de bewering van de uitsprekers …".

    (5) De overlevering 794 – staat in Ibn Kathīr 1:148, in al-Durr al-manthūr 1:63, en in al-Shawkānī 1:58.

    (6) In de gedrukte editie: "hij is de profeet ﷺ".

    (7) In de gedrukte editie: "… van Mij leiding: profeten en boodschappers …".

    (8) In de gedrukte editie: "En zo er dan van Mij tot jullie komt, o schare van wie Ik heb neergezonden …".

    (9) In de gedrukte editie: "de overlevering van hen", met weglating.

    (10) In de gedrukte editie: "en een mededeling van Hem daaromtrent aan degenen".

    (11) In de gedrukte editie: "… Mijn verheldering die Ik verhelder door de tongen van Mijn boodschappers".

    (12) De overlevering 795 – Ik heb haar nergens aangetroffen.

    (13) De overlevering 796 – Ik heb haar nergens aangetroffen.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله تعالى: قُلْنَا اهْبِطُوا مِنْهَا جَمِيعًا قال أبو جعفر: وقد ذكرنا القول في تأويل قوله: " قلنا اهبطوا منها جميعًا " فيما مضى، (1) فلا حاجة بنا إلى إعادته، إذْ كان معناه في هذا الموضع، هو معناه في ذلك الموضع. 793- وقد حدثني يعقوب بن إبراهيم قال: حدثنا هشيم، قال: أخبرنا إسماعيل بن سالم، عن أبي صالح، في قوله : " اهبطوا منها جميعًا "، قال: آدم وحواء والحية وإبليس. (2) القول في تأويل قوله تعالى ذكره: فَإِمَّا يَأْتِيَنَّكُمْ مِنِّي هُدًى قال أبو جعفر: وتأويل قوله: " فإما يأتينكم "، فإنْ يَأتكم. و " ما " التي مع " إن " توكيدٌ للكلام، ولدخولها مع " إن " أدخلت النون المشددة في" يأتينَّكم "، تفرقةً بدخولها بين " ما " التي تأتي بمعنى توكيد الكلام - التي تسميها أهل العربية صلة وَحشوًا - وبين " ما " التي تأتي بمعنى " الذي"، فتؤذِن بدخولها في الفعل، أنّ" ما " التي مع " إن " التي بمعنى الجزاء، توكيد، وليست " ما " التي بمعنى " الذي". وقد قال بعض نحويي أهل البصرة (3) : إنّ " إمَّا " ، " إن " زيدت معها " ما "، &; 1-549 &; وصار الفعل الذي بعده بالنون الخفيفة أو الثقيلة، وقد يكون بغير نون. وإنما حسنت فيه النون لمّا دخلته " ما "، لأن " ما " نفيٌ، فهي مما ليس بواجب، وهي الحرف الذي ينفي الواجب، فحسنت فيه النون، نحو قولهم: " بعينٍ مَّا أرَينَّك "، حين أدخلت فيها " ما " حسنت النون فيما هاهنا. وقد أنكرت جماعة من أهل العربية دعوى قائل هذه المقالة (4) : أن " ما " التي مع " بعينٍ ما أرَينَّك " بمعنى الجحد، وزعموا أن ذلك بمعنى التوكيد للكلام. وقال آخرون: بل هو حشو في الكلام، ومعناها الحذف، وإنما معنى الكلام: " بعَين أراك "، وغير جائز أن يُجْعل مع الاختلاف فيه أصلا يُقاس عليه غيره. * * * القول في تأويل قوله تعالى ذكره: مِنِّي هُدًى فَمَنْ تَبِعَ هُدَايَ فَلا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلا هُمْ يَحْزَنُونَ (38) قال أبو جعفر: والهدى، في هذا الموضع، البيان والرشاد. كما:- 794- حدثنا المثنى بن إبراهيم، قال: حدثنا آدم العسقلاني قال: حدثنا أبو جعفر، عن الربيع، عن أبي العالية، في قوله: " فإما يأتينكم مني هدًى " قال: الهدى، الأنبياءُ والرسل والبيان. (5) . فإن كان ما قال أبو العالية في ذلك كما قال، فالخطاب بقوله: اهْبِطُوا ، وإن كان لآدم وزوجته، فيجب أن يكون مرادًا به آدمُ وزوجتُه وذريتُهما. فيكون ذلك حينئذ نظير قوله: فَقَالَ لَهَا وَلِلأَرْضِ اِئْتِيَا طَوْعًا أَوْ كَرْهًا قَالَتَا أَتَيْنَا طَائِعِينَ [سورة فصلت: 11]، بمعنى أتينا بما فينا من الخلق طائعين، ونظيرَ قوله في قراءة &; 1-550 &; ابن مسعود: ( ربنا واجعلنا مسلمين لك ومن ذريتنا أمة مسلمة لك وأرهم مناسكهم ) [سورة البقرة: 128]، فجمع قبل أن تكون ذريةً، وهو في قراءتنا: وَأَرِنَا مَنَاسِكَنَا . وكما يقول القائل لآخر: " كأنك قد تزوجت وولد لك، وكثرتم وعززتم "، ونحو ذلك من الكلام. وإنما قلنا إن ذلك هو الواجب على التأويل الذي ذكرناه عن أبي العالية، لأنّ آدمَ كان هو النبيَّ أيام حياته بعد أن أُهبط إلى الأرض، (6) والرسولَ من الله جل ثناؤه إلى ولده. فغير جائز أن يكون معنيًّا -وهو الرسولُ صلى الله عليه وسلم- بقوله: " فإما يأتينّكم منّي هُدًى "، خطابًا له ولزوجته،" فإما يأتينكم مني أنبياءُ ورسل " (7) إلا على ما وصفتُ من التأويل. وقول أبي العالية في ذلك -وإن كان وجهًا من التأويل تحتمله الآية- فأقرب إلى الصواب منه عندي وأشبهُ بظاهر التلاوة، أن يكون تأويلها: فإما يأتينكم يا معشرَ من أُهبط إلى الأرض من سمائي (8) ، وهو آدمُ وزوجته وإبليس -كما قد ذكرنا قبل في تأويل الآية التي قبلها- إما يأتينكم منّي بيانٌ من أمري وطاعتي، ورشاد إلى سبيلي وديني، فمن اتبعه منكم فلا خوف عليهم ولا هم يحزنون، وإن كان قد سلف منهم قبل ذلك إليّ معصية وخلافٌ لأمري وطاعتي. يعرّفهم بذلك جل ثناؤه أنه التائبُ على من تاب إليه من ذنوبه، والرحيمُ لمن أناب إليه، كما وصف نفسه بقوله: إِنَّهُ هُوَ التَّوَّابُ الرَّحِيمُ . وذلك أن ظاهر الخطاب بذلك إنما هو للذين قال لهم جل ثناؤه: اهْبِطُوا مِنْهَا جَمِيعًا ، والذين خوطبوا به هم من سمّينا في قول الحجة من الصحابة والتابعين الذين قد قدّمنا الرواية عنهم. (9) . وذلك، وإن كان خطابًا من الله جل ذكره لمن أُهبط &; 1-551 &; حينئذٍ من السماء إلى الأرض، فهو سنّة الله في جميع خلقه، وتعريفٌ منه بذلك الذين أخبر عنهم في أول هذه السورة بما أخبر عنهم في قوله (10) إِنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا سَوَاءٌ عَلَيْهِمْ أَأَنْذَرْتَهُمْ أَمْ لَمْ تُنْذِرْهُمْ لا يُؤْمِنُونَ [سورة البقرة: 6]، وفي قوله: وَمِنَ النَّاسِ مَنْ يَقُولُ آمَنَّا بِاللَّهِ وَبِالْيَوْمِ الآخِرِ وَمَا هُمْ بِمُؤْمِنِينَ [سورة البقرة: 8]، وأنّ حكمه فيهم -إن تابوا إليه وأنابوا واتبعوا ما أتاهم من البيان من عند الله على لسان رسوله محمد صلى الله عليه وسلم - أنهم عنده في الآخرة ممن لا خوفٌ عليهم ولا هم يحزنون، وأنهم إن هلكوا على كُفرهم وضلالتهم قبل الإنابة والتوبة، كانوا من أهل النار المخلَّدين فيها. وقوله: " فمن تَبعَ هُدَايَ"، يعني: فمن اتبع بَياني الذي آتيتُه على ألسن رُسُلي، أو مع رسلي (11) . كما:- 795- حدثنا به المثنى، قال: حدثنا آدم، قال: حدثنا أبو جعفر، عن الربيع، عن أبي العالية: " فمن تَبع هُدَاي"، يعني بياني. (12) . * * * وقوله: " فلا خوفٌ عليهم "، يعني فهم آمنون في أهوال القيامة من عقاب الله، غير خائفين عذابه، بما أطاعوا الله في الدنيا واتبعوا أمرَه وهُداه وسبيله، ولا هم يحزنون يومئذ على ما خلّفوا بعد وفاتهم في الدنيا. كما:- 796- حدثني يونس بن عبد الأعلى، قال: أخبرنا ابن وهب، قال قال ابن زيد: " لا خوفٌ عليهم "، يقول: لا خوف عليكم أمامكم (13) . وليس شيء أعظمَ في صدر الذي يموت ممّا بعد الموت. فأمّنهم منه وسَلاهم عن الدنيا فقال: " ولا هم يحزنون ". ---------- الهوامش : (1) انظر ص : 534 . (2) الأثر : 793- لم أجده بهذا الإسناد ، وانظر ، ما مضى الأرقام : 754 وما بعده . (3) في المطبوعة : "نحويي البصريين" . (4) في المطبوعة : "وقد أنكر جماعة . . . دعوى قائلي . . . " . (5) الأثر : 794- في ابن كثير 1 : 148 ، والدر المنثور 1 : 63 ، والشوكاني 1 : 58 . (6) في المطبوعة : "هو النبي صلى الله عليه وسلم" . (7) في المطبوعة : " . . . مني هدى أنبياء ورسل . . . " . (8) في المطبوعة : "فإما يأتينكم مني يا معشر من أهبطته . . . " . (9) في المطبوعة : "الرواية عنهم" بالحذف (10) في المطبوعة : "وتعريف منه بذلك للذين" . (11) في المطبوعة : " . . . بياني الذي أبينه على ألسن رسلي" . (12) الأثر : 795- لم أجده في مكان . (13) الأثر : 796- لم أجده في مكان .