Tafseer van De Koe · Al-Baqara · 2:278
O jullie die geloven, vreest Allah en geeft op wat er van (vragen) van rente overblijft, als jullie gelovigen zijn.
Het woord over de uitleg van Zijn verheven uitspraak: يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا اتَّقُوا اللَّهَ وَذَرُوا مَا بَقِيَ مِنَ الرِّبَا إِنْ كُنْتُمْ مُؤْمِنِينَ (278)
(O jullie die geloven, vreest Allah en laat staan wat er nog overblijft van de woekerrente (ribā), indien jullie gelovigen zijn) (278)
Abū Jaʿfar zei: Hij — verheven zij Zijn lof — bedoelt daarmee: "O jullie die geloven", dat wil zeggen: jullie die Allah en Zijn boodschapper voor waar hebben gehouden = "vreest Allah", Hij zegt: vreest Allah omwille van jullie eigen zielen, vreest Hem dus door Hem te gehoorzamen in wat Hij jullie heeft opgedragen en door af te zien van wat Hij jullie heeft verboden = "en laat staan", dat wil zeggen: en doe afstand van = "wat er nog overblijft van de woekerrente (ribā)", Hij zegt: laat het opeisen achterwege van wat er voor jullie nog rest aan meerwaarde boven jullie kapitalen (de hoofdsommen) die jullie toebehoorden voordat jullie er woeker over hieven = "indien jullie gelovigen zijn", Hij zegt: indien jullie waarmakers zijn van jullie geloof (īmān) in woord en van jullie geloofsbevestiging met jullie tongen, door middel van jullie daden.²⁵
* * *
Abū Jaʿfar zei: En er is vermeld dat dit vers werd geopenbaard aangaande een volk dat zich tot de islam had bekeerd, terwijl zij ten laste van een ander volk vermogens te goed hadden uit woeker (ribā) die zij over hen hadden geheven. Zij hadden een deel daarvan reeds van hen geïnd, en een deel restte nog. Toen schonk Allah — verheven zij Zijn lof — hun vergeving voor wat zij reeds geïnd hadden vóór de openbaring van dit vers,²⁶ en Hij verbood hun het opeisen van wat ervan overbleef.
* Vermelding van wie dat heeft gezegd:
6258 — Mūsā ibn Hārūn heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: "O jullie die geloven, vreest Allah en laat staan wat er nog overblijft van de woekerrente (ribā)", tot aan: وَلا تُظْلَمُونَ (en jullie zal geen onrecht worden aangedaan). Hij zei: Dit vers werd geopenbaard aangaande al-ʿAbbās ibn ʿAbd al-Muṭṭalib en een man uit de Banū al-Mughīra. Zij waren tweeën in de Jāhiliyya (de tijd vóór de islam) deelgenoten geweest, die met woeker (ribā) leningen verstrekten aan enkele mensen uit Thaqīf, uit de Banū ʿAmr =²⁷ en zij zijn de Banū ʿAmr ibn ʿUmayr. Toen kwam de islam, terwijl zij beiden enorme vermogens in woeker te goed hadden. Toen openbaarde Allah: "Laat staan wat er nog overblijft" aan meerwaarde die in de Jāhiliyya was ontstaan = "van de woekerrente (ribā)".
6259 — Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, omtrent Zijn uitspraak: "O jullie die geloven, vreest Allah en laat staan wat er nog overblijft van de woekerrente (ribā), indien jullie gelovigen zijn", hij zei: Thaqīf had met de Profeet ﷺ vrede gesloten op de voorwaarde dat de woeker (ribā) die zij ten laste van de mensen te goed hadden, en de woeker (ribā) die de mensen ten laste van hen te goed hadden, kwijtgescholden zou zijn. Toen de Verovering (van Mekka) plaatsvond, stelde hij ʿAttāb ibn Asīd aan over Mekka. De Banū ʿAmr ibn ʿUmayr ibn ʿAwf plachten woeker (ribā) te innen van de Banū al-Mughīra, en de Banū al-Mughīra plachten in de Jāhiliyya woeker aan hen te betalen. Toen kwam de islam, terwijl zij ten laste van hen veel geld te goed hadden. De Banū ʿAmr kwamen naar hen toe en eisten hun woeker op, maar de Banū al-Mughīra weigerden hun in de islam te betalen. Zij brachten die zaak voor ʿAttāb ibn Asīd, en ʿAttāb schreef aan de boodschapper van Allah ﷺ. Toen werd geopenbaard: يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا اتَّقُوا اللَّهَ وَذَرُوا مَا بَقِيَ مِنَ الرِّبَا إِنْ كُنْتُمْ مُؤْمِنِينَ * فَإِنْ لَمْ تَفْعَلُوا فَأْذَنُوا بِحَرْبٍ مِنَ اللَّهِ وَرَسُولِهِ (O jullie die geloven, vreest Allah en laat staan wat er nog overblijft van de woekerrente (ribā), indien jullie gelovigen zijn * En indien jullie het niet doen, weet dan dat er een oorlog is van Allah en Zijn boodschapper), tot aan وَلا تُظْلَمُونَ (en jullie zal geen onrecht worden aangedaan). De boodschapper van Allah ﷺ schreef dit aan ʿAttāb en zei: "Indien zij tevreden zijn (zich erbij neerleggen, goed); zo niet, kondig hun dan oorlog aan." = En Ibn Jurayj zei, op gezag van ʿIkrima, omtrent Zijn uitspraak: "Vreest Allah en laat staan wat er nog overblijft van de woekerrente (ribā)", hij zei: Zij plachten woeker (ribā) te innen van de Banū al-Mughīra. Men beweert dat zij Masʿūd, ʿAbd Yālīl, Ḥabīb en Rabīʿa waren, de zonen van ʿAmr ibn ʿUmayr; zij zijn het die woeker (ribā) ten laste van de Banū al-Mughīra te goed hadden. Toen bekeerden ʿAbd Yālīl, Ḥabīb, Rabīʿa, Hilāl en Masʿūd zich tot de islam.²⁸
6260 — Yaḥyā ibn Abī Ṭālib heeft mij verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Juwaybir heeft ons verteld, op gezag van al-Ḍaḥḥāk, omtrent Zijn uitspraak: "Vreest Allah en laat staan wat er nog overblijft van de woekerrente (ribā), indien jullie gelovigen zijn", hij zei: Het was woeker (ribā) waarmee zij in de Jāhiliyya handel dreven. Toen zij zich tot de islam bekeerden, werd hun bevolen dat zij (slechts) hun kapitalen (de hoofdsommen) zouden innemen.
------------
Voetnoten:
(25) Zijn uitspraak "door middel van jullie daden" hangt samen met zijn uitspraak "waarmakers …", dat wil zeggen: waarmakers daarvan door middel van jullie daden.
(26) In het handschrift staat: "voor wat zij reeds opgeëist hadden …", wat foutief is; het juiste is wat in de gedrukte editie staat.
(27) In het handschrift en de gedrukte editie staat: "verstrekten leningen in woeker aan enkele mensen …" in de voltooid verleden tijd; het juiste is wat ik heb vastgesteld op basis van al-Durr al-manthūr 1:366 en al-Baghawī (in de marge van Ibn Kathīr) 2:63. Al-salaf (met twee fatḥa's) betekent: de lening. Het werkwoord is: aslafa en sallafa (met verdubbeling van de lām).
(28) De overlevering 6259 — zie wat al-Ḥāfiẓ heeft gezegd in al-Iṣāba in de biografie van "Hilāl al-Thaqafī". Hij zei: "Wat betreft de vermelding van de vredessluiting met Thaqīf vóór zijn uitspraak 'Toen de Verovering plaatsvond' valt er een en ander op aan te merken; ik heb de verklaring daarvan vermeld in Asbāb al-nuzūl."