Tabari
Terug naar surah 2, ayah 277

Tafseer van De Koe · Al-Baqara · 2:277

إِنَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّٰلِحَٰتِ وَأَقَامُوا۟ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتَوُا۟ ٱلزَّكَوٰةَ لَهُمْ أَجْرُهُمْ عِندَ رَبِّهِمْ وَلَا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلَا هُمْ يَحْزَنُونَ

Voorwaar, degenen die geloven en goede daden verrichten en de shalât onderhouden en de zakât geven, voor hen zal de beloning bij hun Heer zijn. En zij zullen niet angstig zijn en zij zullen niet treuren.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: إِنَّ الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ وَأَقَامُوا الصَّلاةَ وَآتَوُا الزَّكَاةَ لَهُمْ أَجْرُهُمْ عِنْدَ رَبِّهِمْ وَلا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلا هُمْ يَحْزَنُونَ

    (Voorwaar, zij die geloven en goede daden verrichten en het gebed onderhouden en de zakāh geven: voor hen is hun beloning bij hun Heer, en geen vrees zal over hen komen, noch zullen zij treuren) (2:277).

    Abū Jaʿfar zei: Dit is een mededeling van Allah, machtig en verheven is Hij, dat zij die geloven — dat wil zeggen: zij die Allah voor waar hielden en Zijn Boodschapper ﷺ, en dat wat hij van bij zijn Heer heeft gebracht, namelijk het verbieden van de woekerrente (ribā) en het verteren daarvan, en al het overige van de wetten van Zijn religie — "en goede daden verrichten" (wa-ʿamilū l-ṣāliḥāt), namelijk die welke Allah, machtig en verheven is Hij, hun heeft opgedragen en waartoe Hij hen heeft aangespoord — "en het gebed onderhouden" (wa-aqāmū l-ṣalāh), het verplichte gebed (ṣalāh) met inachtneming van zijn grenzen, en het verrichten ervan volgens zijn voorgeschreven gebruiken (sunan) — "en de zakāh geven" (wa-ātawū l-zakāh), de verplichte aalmoes (zakāh) die op hun bezittingen rust, ná dat wat van hen reeds was voorafgegaan aan het verteren van de woekerrente, vóór het komen van de vermaning daaromtrent van bij hun Heer — "voor hen is hun beloning" (lahum ajruhum), dat wil zeggen: de vergelding voor dat, voortkomend uit hun daden, hun geloof en hun aalmoes — "bij hun Heer" (ʿinda rabbihim), op de dag van hun behoefte aan Hem bij hun terugkeer (in het hiernamaals) — "en geen vrees zal over hen komen" (wa-lā khawfun ʿalayhim), op die dag, voor Zijn bestraffing wegens dat wat van hen was voorafgegaan in hun tijd van onwetendheid (jāhiliyya) en hun ongeloof (kufr), vóór het tot hen komen van een vermaning van hun Heer, namelijk het verteren van dat wat zij aan woekerrente hadden verteerd — vanwege hun terugkeer tot Hem en hun berouw tot Allah, machtig en verheven is Hij, daarvan, op het moment dat de vermaning van hun Heer tot hen kwam, en vanwege hun bevestiging als waar van Allahs belofte en Zijn dreiging — "noch zullen zij treuren" (wa-lā hum yaḥzanūn), over hun nalaten van dat wat zij in het wereldse leven hadden nagelaten aan het verteren van de woekerrente en het handelen daarmee, wanneer zij de overvloedige beloning van Allah, gezegend en verheven is Hij, met eigen ogen aanschouwen, terwijl zij dat wat zij daarvan in het wereldse leven hadden nagelaten, hadden nagelaten in het streven naar Zijn welbehagen in het hiernamaals, zodat zij verkregen wat hun voor dat nalaten was beloofd.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله تعالى : إِنَّ الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ وَأَقَامُوا الصَّلاةَ وَآتَوُا الزَّكَاةَ لَهُمْ أَجْرُهُمْ عِنْدَ رَبِّهِمْ وَلا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلا هُمْ يَحْزَنُونَ (277) قال أبو جعفر: وهذا خبر من الله عز وجل بأن الذين آمنوا = يعني الذين صدقوا بالله وبرسوله، وبما جاء به من عند ربهم، من تحريم الربا وأكله، وغير ذلك من سائر شرائع دينه =" وعملوا الصالحات " التي أمرهم الله عز وجل بها، والتي نَدَبهم إليها =" وأقاموا الصلاة " المفروضة بحدودها، وأدّوها بسُنَنها =" وآتوا الزكاة " المفروضة عليهم في أموالهم، بعد الذي سلف منهم من أكل الرّبا، قبل مجيء الموعظة فيه من عند ربهم =" لهم أجرهم "، يعني ثواب ذلك من أعمالهم وإيمانهم وصَدَقتهم =" عند ربهم " يوم حاجتهم إليه في معادهم = " ولا خوف عليهم " يومئذ من عقابه على ما كان سلف منهم في جاهليتهم وكفرهم قبل مجيئهم موعظة من ربهم، من أكل ما كانوا أكلوا من الربا، بما كان من إنابتهم، وتوبتهم إلى الله عز وجل من ذلك عند مجيئهم الموعظة من ربهم، &; 6-22 &; وتصديقهم بوعد الله ووعيده =" ولا هم يحزنون " على تركهم ما كانوا تركوا في الدنيا من أكل الربا والعمل به، إذا عاينوا جزيل ثواب الله تبارك وتعالى، وهم على تركهم ما ترَكوا من ذلك في الدنيا ابتغاءَ رضوانه في الآخرة، فوصلوا إلى ما وُعدوا على تركه.