Tabari
Terug naar surah 2, ayah 274

Tafseer van De Koe · Al-Baqara · 2:274

ٱلَّذِينَ يُنفِقُونَ أَمْوَٰلَهُم بِٱلَّيْلِ وَٱلنَّهَارِ سِرًّۭا وَعَلَانِيَةًۭ فَلَهُمْ أَجْرُهُمْ عِندَ رَبِّهِمْ وَلَا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلَا هُمْ يَحْزَنُونَ

En degenen die 's nachts en overdag van hun eigendommen uitgeven, heimlijk en openlijk, voor hen is hun beloning bij hun Heer, en voor hen zal er geen vrees zijn en zij zullen treuren.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak, de Verhevene: الَّذِينَ يُنْفِقُونَ أَمْوَالَهُمْ بِاللَّيْلِ وَالنَّهَارِ سِرًّا وَعَلانِيَةً فَلَهُمْ أَجْرُهُمْ عِنْدَ رَبِّهِمْ وَلا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلا هُمْ يَحْزَنُونَ (274)

    (Zij die hun bezittingen besteden bij nacht en bij dag, in het geheim en openlijk, voor hen is hun beloning bij hun Heer; geen vrees zal over hen komen, noch zullen zij treuren.) (2:274)

    [Abū Jaʿfar zei]:

    .............................................................................

    .............................................................................

    * * *

    6232 – Yaʿqūb ibn Ibrāhīm heeft ons verteld, hij zei: Muʿtamir heeft ons verteld, op gezag van Ayman ibn Nābil, die zei: Een oude man uit [de stam] Ghāfiq heeft mij verteld: dat Abū al-Dardāʾ naar de paarden placht te kijken die vastgebonden stonden tussen de pakpaarden (barādhīn) en de halfbloeden (hujn). Dan zei hij: "De eigenaren van deze — hij bedoelt de paarden — behoren tot hen die hun bezittingen besteden bij nacht en bij dag, in het geheim en openlijk; voor hen is hun beloning bij hun Heer, geen vrees zal over hen komen, noch zullen zij treuren."

    * * *

    En anderen zeiden: Hiermee wordt een volk bedoeld dat besteedde op de weg van Allah, zonder verkwisting en zonder gierigheid.

    * Vermelding van wie dat gezegd heeft:

    6233 – Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over Zijn uitspraak: "Zij die hun bezittingen besteden" tot aan Zijn uitspraak: "noch zullen zij treuren" — dezen zijn de mensen van het paradijs (janna).

    Er is ons overgeleverd dat de Profeet van Allah ﷺ placht te zeggen: "De mensen die veel bezitten, zij zijn de laagsten." Zij zeiden: "O Profeet van Allah, behalve wie?" Hij zei: "De mensen die veel bezitten, zij zijn de laagsten." Zij zeiden: "O Profeet van Allah, behalve wie?" Hij zei: "De mensen die veel bezitten, zij zijn de laagsten." Zij zeiden: "O Profeet van Allah, behalve wie?" — totdat zij vreesden dat het reeds voorbij was gegaan en er geen terugkeer meer op was, totdat hij zei: "Behalve wie met zijn bezit zó en zó deed, aan zijn rechterzijde en aan zijn linkerzijde, en zó vóór zich, en zó achter zich — en weinig zijn zij." [Hij — d.w.z. Qatāda — zei]: "Dezen zijn een volk dat besteedde op de weg van Allah, die Hij heeft opgelegd en waarmee Hij tevreden is, zonder verspilling en zonder verarming en zonder kwistige verspilling en zonder verderf."

    * * *

    En er is gezegd dat deze verzen, vanaf Zijn uitspraak: "Als jullie de aalmoezen openlijk geven, dan is dat voortreffelijk" tot aan Zijn uitspraak: "geen vrees zal over hen komen, noch zullen zij treuren", behoorden tot wat in praktijk werd gebracht vóór de openbaring van wat in "Sūrat Barāʾa" staat over de gedetailleerde regeling van de aalmoezen (zakāh). Toen "Barāʾa" werd geopenbaard, werden zij daartoe beperkt.

    * Vermelding van wie dat gezegd heeft:

    6234 – Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: Mijn vader heeft mij verteld, hij zei: Mijn oom heeft mij verteld, hij zei: Mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās: "Als jullie de aalmoezen openlijk geven, dan is dat voortreffelijk" tot aan Zijn uitspraak: "geen vrees zal over hen komen, noch zullen zij treuren" — dit werd in praktijk gebracht voordat "Barāʾa" werd geopenbaard. Toen "Barāʾa" werd geopenbaard met de verplichtingen van de aalmoezen en de gedetailleerde regeling daarvan, kwamen de aalmoezen tot hun einde [d.w.z. werden zij tot die regelingen beperkt].

    * * *

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله تعالى : الَّذِينَ يُنْفِقُونَ أَمْوَالَهُمْ بِاللَّيْلِ وَالنَّهَارِ سِرًّا وَعَلانِيَةً فَلَهُمْ أَجْرُهُمْ عِنْدَ رَبِّهِمْ وَلا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلا هُمْ يَحْزَنُونَ (274) [قال أبو جعفر]: ............................................................................. ............................................................................. * * * 6232 - حدثنا يعقوب بن إبراهيم، قال: حدثنا معتمر، عن أيمن بن نابل، قال: حدثني شيخ من غافق: أن أبا الدرداء كان ينظر إلى الخيل مربوطةً بين البرَاذين والهُجْن. فيقول: أهل هذه - يعني الخيل- من الذين ينفقون أموالهم بالليل والنهار سرًّا وعلانية، فلهم أجرهم عند ربهم، ولا خوفٌ عليهم ولا هُمْ يحزَنون. (45) . * * * وقال آخرون: عنى بذلك قومًا أنفقوا في سبيل الله في غير إسراف ولا تقتير. * ذكر من قال ذلك: 6233 - حدثنا بشر، قال: حدثنا يزيد، قال: حدثنا سعيد، عن قتادة &; 5-602 &; قوله: " الذين ينفقون أموالهم " إلى قوله: " ولا هم يحزنون "، هؤلاء أهلُ الجنة. ذكر لنا أن نبيّ الله صلى الله عليه وسلم كان يقول: المكثِرون هم الأسفلون. قالوا: يا نبيّ الله إلا مَنْ؟ قال: المكثرون هم الأسفلون، قالوا: يا نبيّ الله إلا مَنْ؟ قال: المكثرون هم الأسفلون. قالوا: يا نبيّ الله، إلا مَنْ؟ حتى خشوا أن تكون قد مَضَت فليس لها رَدّ، حتى قال: " إلا من قال بالمال هكذا وهكذا، عن يمينه وعن شماله، وهكذا بين يديه، وهكذا خلفه، وقليلٌ ما هُمْ [قال]: (46) هؤلاء قوم أنفقوا في سبيل الله التي افترض وارتضى، في غير سَرَف ولا إملاق ولا تَبذير ولا فَساد " (47) . * * * وقد قيل إنّ هذه الآيات من قوله: " إن تُبدوا الصدقات فنعمَّا هي" إلى قوله: " ولا خوف عليهم ولا هم يحزنون "، كان مما يُعملَ به قبل نـزول ما في" سورة براءة " من تفصيل الزَّكوات، فلما نـزلت " براءة "، قُصِروا عليها. * ذكر من قال ذلك: 6234 - حدثني محمد بن سعد، قال: ثني أبي، قال: ثني عمي، قال: ثني أبي، عن أبيه، عن ابن عباس: " إن تبدوا الصدقات فنعمَّا هي" إلى قوله: " ولا خوف عليهم ولا هم يحزنون "، فكان هذا يُعمل به قبل أن تنـزل " براءة "، فلما نـزلت " براءة " بفرائض الصَّدقات وتفصيلها انتهت الصّدَقاتُ إليها. * * * --------------------------- (45) الأثر : 6232 -"أيمن بن نابل الحبشي" أبو عمران المكي ، نزيل عسقلان ، مولي آل أبي بكر . روي عن قدامة بن عبدالله العامرى ، وعن أبيه نابل ، والقاسم بن محمد ، وطاوس . وروى عنه موسى بن عقبة ، وهو من أقرانه ، ومعتمر بن سليمان ، ووكيع وابن مهدي ، وعبدالرزاق ، وغيرهم . وهو ثقة ، وكان لا يفصح ، فيه لكنه . وعاش إلى خلافة المهدي . مترجم في التهذيب . والبراذين جمع برذون (بكسر الباء وسكون الراء وفتح الذال وسكون الواو) : وهو ما كان من الخيل من نتاج غير العراب ، وهو دون الفرس وأضعف منه . والهجن جمع هجين : وهو من الخيل الذي ولدته برذونة من حصان غير عربي ، وهي دون العرب أيضًا ، ليس من عتاق الخيل ، وكلاهما معيب عندهم . (46) ما بين القوسين ، زيادة لا بد منها ، فإن هذا الكلام الآتي ولا شك من كلام قتادة ، وكذلك خرجه السيوطي في الدر المنثور 1 : 363 قال : "وأخرج عبد بن حميد وابن جرير وابن المنذر عن قتادة . . . " ، وساق هذا الشطر الآتي من هذا الأثر . وأما صدره ، فهو خبر مرسل كسائر الأخبار السالفة . (47) قوله : "إملاق" هو من قولهم : "ملق الرجل ما معه ملقًا ، وأملقه إملاقًا" ، إذا أنفقه وأخرجه من يده ولم يحبسه وبذره تبذيرًا . والفقر تابع للإنفاق والتبذير ، فاستعملوا لفظ السبب في موضع المسبب ، فقالوا : "أملق الرجل إملاقًا" ، إذا افتقر فهو"مملق" أي فقير لا شيء معه .