Tafseer van De Koe · Al-Baqara · 2:254
O jullie die geloven: geeft van dat waar Wij jullie mee voorzien hebben, voordat de Dag komt waarop er noch handel, noch voorspraak zal zijn. En de ongelovigen: zij zijn de onrechtvaardigen.
De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا أَنْفِقُوا مِمَّا رَزَقْنَاكُمْ مِنْ قَبْلِ أَنْ يَأْتِيَ يَوْمٌ لا بَيْعٌ فِيهِ وَلا خُلَّةٌ وَلا شَفَاعَةٌ وَالْكَافِرُونَ هُمُ الظَّالِمُونَ (254)
(O jullie die geloven, geeft uit van datgene waarmee Wij jullie hebben voorzien, voordat er een dag komt waarop geen handel is, noch vriendschap, noch voorspraak. En de ongelovigen, zij zijn de onrechtplegers.) (254)
Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens vermelding verheven is, bedoelt daarmee: O jullie die geloven, geeft uit op de weg van Allah van datgene waarmee Wij jullie hebben voorzien uit jullie bezittingen, geeft daarvan als aalmoes, en draagt daarvan de rechten af die Wij jullie hebben opgelegd. Zo placht ook Ibn Jurayj te zeggen, volgens hetgeen ons over hem heeft bereikt:
5760 – Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: Al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, betreffende Zijn uitspraak: "O jullie die geloven, geeft uit van datgene waarmee Wij jullie hebben voorzien", hij zei: van de verplichte aalmoes (zakāh) en van de vrijwillige gave.
* * *
="voordat er een dag komt waarop geen handel is, noch vriendschap, noch voorspraak", Hij zegt: legt voor jullie zelf bij Allah een voorraad aan in jullie wereldse leven uit jullie bezittingen, door daarvan uit te geven op de weg van Allah, door aalmoezen te geven aan de armen en behoeftigen, en door af te dragen wat Allah jullie daaromtrent heeft opgelegd; en koopt daarmee aan wat bij Hem is van de eer die Hij voor Zijn beschermelingen heeft bereid, door dat voor jullie zelf vooruit te zenden, zolang jullie nog de weg openstaat om het aan te kopen, met datgene waartoe Ik jullie heb aangespoord en wat Ik jullie heb opgedragen aangaande het uitgeven uit jullie bezittingen ="voordat er een dag komt waarop geen handel is", dat wil zeggen vóór het komen van een dag waarop geen handel is. Hij zegt: jullie zullen op die dag niet in staat zijn datgene aan te kopen wat jullie konden aankopen – door uit te geven uit jullie bezittingen waarmee Wij jullie hadden voorzien – door datgene wat Ik jullie had opgedragen, of waartoe Ik jullie had aangespoord in het wereldse leven, terwijl jullie daartoe in staat waren, omdat het een dag van vergelding, beloning en bestraffing is, en geen dag van handelen, verwerving, gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid, zodat er voor jullie dan een weg zou zijn naar het aankopen van de verblijven van de mensen van eer door uit te geven – of door het verrichten van werken in gehoorzaamheid aan Allah.
Vervolgens deelde de Verhevene, wiens vermelding verheven is, hun mee dat die dag – naast het wegvallen van het werk waarmee men het welbehagen van Allah verkrijgt of het bereiken van Zijn eer door het uitgeven uit de bezittingen, aangezien daar geen bezit is waarmee men dat kan verwezenlijken – een dag is waarop geen vriendschap baat zoals in het wereldse leven. Want de vriend van een man in het wereldse leven placht hem daarin van nut te zijn door hem te helpen tegen wie hem kwaad wilde berokkenen of hem onheil toewenste, en door hem daarin bij te staan. Zo deed de Verhevene, wiens vermelding verheven is, hen ook daarvan de hoop verliezen, omdat op de Dag der Opstanding niemand iemand kan helpen tegen Allah, maar veeleer الأَخِلاءُ يَوْمَئِذٍ بَعْضُهُمْ لِبَعْضٍ عَدُوٌّ إِلا الْمُتَّقِينَ (de boezemvrienden zullen op die dag elkaars vijanden zijn, behalve de godvrezenden), zoals Allah, de Verhevene wiens vermelding verheven is, heeft gezegd. En Hij berichtte hun ook dat zij op die dag – naast het missen van de weg naar het aankopen van datgene waartoe zij in het wereldse leven een weg hadden door uit te geven uit hun bezittingen en door met hun lichamen te werken, en naast het ontbreken van helpers onder de vrienden en bondgenoten onder de broeders – geen voorspreker hebben die voor hen bij Allah voorspraak doet, zoals dat voor hen wel het geval was in het wereldse leven. Want sommigen van hen plachten in het wereldse leven voor anderen voorspraak te doen op grond van verwantschap, nabuurschap, vriendschap en andere oorzaken, maar dat alles wordt op die dag krachteloos, zoals de Verhevene, wiens vermelding verheven is, heeft bericht over de uitspraak van Zijn vijanden onder de bewoners van het Vuur (al-jaḥīm) in het Hiernamaals, wanneer zij daarin terecht zijn gekomen: فَمَا لَنَا مِنْ شَافِعِينَ * وَلا صَدِيقٍ حَمِيمٍ [al-Shuʿarāʾ: 100-101] (Wij hebben dus geen voorsprekers, noch een boezemvriend.)
* * *
Deze āyah is wat haar bewoording betreft algemeen aangaande de voorspraak, maar wat ermee bedoeld wordt is bijzonder. De betekenis ervan is slechts: "voordat er een dag komt waarop geen handel is, noch vriendschap, noch voorspraak" voor de mensen van ongeloof in Allah, omdat de mensen van de bescherming van Allah (walāya) en van het geloof in Hem onderling voor elkaar voorspraak doen. En wij hebben de juistheid daarvan reeds uiteengezet op een wijze die het overbodig maakt dat hier te herhalen.
* * *
En Qatāda placht hierover te zeggen wat in het volgende is overgeleverd:
5761 – Bishr heeft ons dat verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, betreffende Zijn uitspraak: "O jullie die geloven, geeft uit van datgene waarmee Wij jullie hebben voorzien, voordat er een dag komt waarop geen handel is, noch vriendschap, noch voorspraak": Allah wist reeds dat mensen elkaar in het wereldse leven liefhebben en dat sommigen van hen voor anderen voorspraak doen; maar wat de Dag der Opstanding betreft, daarop is er geen vriendschap behalve de vriendschap van de godvrezenden.
* * *
Wat betreft Zijn uitspraak: "En de ongelovigen, zij zijn de onrechtplegers", daarmee bedoelt de Verhevene, wiens vermelding verheven is: en de loochenaars van Allah, die Hem en Zijn boodschappers voor leugenaars uitmaken ="zij zijn de onrechtplegers". Hij zegt: zij zijn degenen die hun loochening op een verkeerde plaats stellen, die doen wat hun niet toekomt te doen, en die zeggen wat hun niet toekomt te zeggen.
* * *
En wij hebben de betekenis van "onrecht" (al-ẓulm) reeds met de getuigenissen daarvan in het voorgaande aangetoond, op een wijze die het overbodig maakt dat te herhalen.
* * *
Abū Jaʿfar zei: En in de uitspraak van de Verhevene, wiens vermelding verheven is, op deze plaats: "En de ongelovigen, zij zijn de onrechtplegers", ligt een duidelijke aanwijzing voor de juistheid van hetgeen wij hebben gezegd, en dat Zijn uitspraak "noch vriendschap, noch voorspraak" slechts de mensen van ongeloof bedoelt. Daarom liet Hij die uitspraak volgen door: "En de ongelovigen, zij zijn de onrechtplegers." Hij gaf daarmee dus aan dat de betekenis ervan is: Wij hebben de ongelovigen de hulp van de boezemvrienden en de voorspraak van de beschermers en verwanten ontzegd, en Wij waren bij dat optreden van Ons jegens hen geen onrechtplegers, aangezien dat van Onze kant een vergelding was voor het ongeloof in Allah dat van hen was voorafgegaan in het wereldse leven; maar veeleer zijn de ongelovigen zelf de onrechtplegers tegenover zichzelf, vanwege de daden die zij begingen waardoor zij de bestraffing van hun Heer over zichzelf afriepen.
* * *
Indien iemand zou zeggen: Hoe is het mogelijk dat de dreiging op de ongelovigen wordt gericht, terwijl de āyah begint met de vermelding van de gelovigen?
Dan wordt hem geantwoord: Aan de āyah ging immers de vermelding vooraf van twee soorten mensen: de ene soort zijn de mensen van ongeloof, en de andere de mensen van geloof, en dat is Zijn uitspraak: وَلَكِنِ اخْتَلَفُوا فَمِنْهُمْ مَنْ آمَنَ وَمِنْهُمْ مَنْ كَفَرَ (maar zij raakten verdeeld: onder hen waren er die geloofden en onder hen waren er die ongelovig werden). Vervolgens liet Allah, de Verhevene wiens vermelding verheven is, de twee soorten volgen op datgene waarmee Hij hen vermeldde, door de gelovigen in Hem aan te sporen tot datgene wat hen tot Hem dichterbij brengt, namelijk het uitgeven in gehoorzaamheid aan Hem en in de jihād tegen Zijn vijanden onder de mensen die ongelovig in Hem zijn, vóór het komen van de dag waarvan Hij de gesteldheid beschreef. En Hij berichtte daarin over de toestand van Zijn vijanden onder de mensen die ongelovig in Hem zijn, aangezien de strijd (qitāl) van de ongelovigen tegen Hem in ongehoorzaamheid aan Hem plaatsvond en hun uitgaven besteed werden aan het afhouden van Zijn weg. Zo zei de Verhevene, wiens vermelding verheven is: O jullie die geloven, geeft júllie uit van datgene waarmee Wij jullie hebben voorzien in gehoorzaamheid aan Mij, aangezien de ongelovigen in Mij uitgaven doen in ongehoorzaamheid aan Mij ="voordat er een dag komt waarop geen handel is", zodat de ongelovigen daarop alsnog zouden kunnen aankopen wat zij in hun wereldse leven nagelaten hadden aan te kopen ="noch is er voor hen op die dag vriendschap die hen tegen Mij helpt, noch een voorspreker die voor hen bij Mij voorspraak doet, zodat zijn voorspraak hen van Mijn bestraffing zou redden." En dit is op die dag Mijn handelen jegens hen, als vergelding voor hun ongeloof, en zij zijn zelf de onrechtplegers tegenover zichzelf, niet tegenover Mij, want Ik ben geen onderdrukker jegens Mijn dienaren. En er is overgeleverd:
5762 – Muḥammad ibn ʿAbd al-Raḥīm heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr ibn Abī Salama heeft mij verteld, hij zei: ik hoorde ʿUmar ibn Sulaymān vertellen, op gezag van ʿAṭāʾ ibn Dīnār, dat hij zei: Alle lof zij Allah, die zei: "En de ongelovigen, zij zijn de onrechtplegers", en niet zei: "En de onrechtplegers, zij zijn de ongelovigen."