Tafseer van De Koe · Al-Baqara · 2:206
En wanneer tot hem wordt gezegd: "Vreest Allah," dan maakt de trots op zijn zonde zich van hem meester. De Hel is voor hem voldoende, en dat is de slechtste verblijfplaats!
Uitleg van de uitspraak van de Verhevene: En wanneer tot hem gezegd wordt: vrees Allah, dan grijpt de hoogmoed hem in zonde; de hel (jahannam) is hem genoeg, en wat een ellendige rustplaats! (206)
Abū Jaʿfar zei: Hij bedoelt daarmee, verheven is Zijn lof: en wanneer tot deze hypocriet — wiens kenmerk Hij aan Zijn profeet, vrede en zegen zij met hem, beschreef, en aan wie Hij berichtte dat zijn uitspraak Hem [de profeet] bevalt in het wereldse leven — gezegd wordt: vrees Allah en wees beducht voor Hem in jouw verderf stichten op de aarde van Allah, en in jouw streven daarop met wat Allah jou aan ongehoorzaamheid jegens Hem verboden heeft, en in jouw vernietigen van de gewassen van de moslims en hun nageslacht — dan wordt hij hoogmoedig en bevangt hem trots en verbeten eigengereidheid bij wat Allah hem verboden heeft, en volhardt hij in zijn dwaling en verdoling. Allah, verheven is Zijn lof, zei: dan volstaat hem als bestraffing voor zijn dwaling en verdoling het branden in het vuur van de hel (jahannam), en wat een ellendige rustplaats voor wie erin brandt.
* * *
En de uitleggers (ahl al-taʾwīl) verschilden van mening over wie met dit vers bedoeld werd.
Sommigen van hen zeiden: ermee bedoeld werd iedere verdorvene (fāsiq) en hypocriet (munāfiq).
* Vermelding van wie dat zei:
3998 - Mohammed ibn ʿAbdillāh ibn Bazīʿ heeft mij verteld, hij zei: Jaʿfar ibn Sulaymān heeft ons verteld, hij zei: Bisṭām ibn Muslim heeft ons verteld, hij zei: Abū Rajāʾ al-ʿUṭāridī heeft ons verteld, hij zei: ik hoorde ʿAlī over dit vers: En onder de mensen is er wiens uitspraak jou bevalt in het wereldse leven tot: En Allah is mededogend jegens de dienaren, ʿAlī zei: "Zij beiden hebben elkaar bestreden, bij de Heer van de Kaʿba."
3999 - Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei over Zijn uitspraak: "En wanneer tot hem gezegd wordt: vrees Allah, dan grijpt de hoogmoed hem in zonde" tot Zijn uitspraak: En Allah is mededogend jegens de dienaren, hij zei: wanneer ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb, moge Allah tevreden over hem zijn, het vrijwillige gebed (al-subḥa) verricht had en klaar was, ging hij een omheinde plaats van hem [voor het drogen van dadels] binnen, (44) en dan zond hij om jongemannen die de Koran hadden gereciteerd [gememoriseerd], onder wie Ibn ʿAbbās en de neef van ʿUyayna; (45) hij zei: dan kwamen zij, reciteerden de Koran en bestudeerden die gezamenlijk, en wanneer het tijd was voor het middagdutje, ging hij heen. Hij zei: en zij kwamen langs dit vers: "En wanneer tot hem gezegd wordt: vrees Allah, dan grijpt de hoogmoed hem in zonde", En onder de mensen is er die zichzelf verkoopt in het streven naar het welbehagen van Allah, en Allah is mededogend jegens de dienaren = Ibn Zayd zei: en dezen zijn de strijders op de weg van Allah (al-mujāhidūn fī sabīl Allāh) = waarop Ibn ʿAbbās tegen iemand die naast hem zat zei: hebben de twee mannen elkaar bestreden? ʿUmar hoorde wat hij zei en zei: en wat heb jij gezegd? Hij zei: niets, o leider der gelovigen! Hij zei: wat heb je gezegd? "Hebben de twee mannen elkaar bestreden"? Hij zei: en toen Ibn ʿAbbās dat zag, zei hij: ik zie hier iemand die, wanneer hem de godvrezendheid jegens Allah wordt bevolen, door de hoogmoed in zonde gegrepen wordt, en ik zie iemand die zichzelf verkoopt in het streven naar het welbehagen van Allah; deze staat op en beveelt die ander de godvrezendheid jegens Allah, en wanneer hij die niet aanvaardt en de hoogmoed hem in zonde grijpt, zegt deze [ander]: en ik, ik verkoop mijzelf! En dan bestrijdt hij hem, en zo bestrijden de twee mannen elkaar! Toen zei ʿUmar: moge Allah jouw land [zegenen], o Ibn ʿAbbās. (46)
* * *
En anderen zeiden: nee, ermee bedoeld werd al-Akhnas ibn Sharīq, en wij hebben reeds vermeld wie dat zei in wat voorafging. (47)
* * *
En wat Zijn uitspraak betreft: "en wat een ellendige rustplaats", daarmee bedoelt Hij: en wat een ellendige slaapplaats en legerstede is de hel (jahannam) waarmee Hij, verheven is Zijn lof, deze hypocriet bedreigd heeft, en die hij voor zichzelf heeft gereedgemaakt door zijn hypocrisie (nifāq), zijn verdorvenheid en zijn opstandigheid jegens zijn Heer.