Tabari
Terug naar surah 2, ayah 174

Tafseer van De Koe · Al-Baqara · 2:174

إِنَّ ٱلَّذِينَ يَكْتُمُونَ مَآ أَنزَلَ ٱللَّهُ مِنَ ٱلْكِتَٰبِ وَيَشْتَرُونَ بِهِۦ ثَمَنًۭا قَلِيلًا ۙ أُو۟لَٰٓئِكَ مَا يَأْكُلُونَ فِى بُطُونِهِمْ إِلَّا ٱلنَّارَ وَلَا يُكَلِّمُهُمُ ٱللَّهُ يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ وَلَا يُزَكِّيهِمْ وَلَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ

Voorwaar, degenen die verbergen wat Allah heeft neergezonden van de Schrift en die het verruilen voor een geringe prijs, zij zijn degenen die in hun buiken niets dan vuur verteren. En Allah zal niet tot hen spreken op de Dag der Opstanding en Hij zal hen niet reinigen en voor hen is er een pijnlijke bestraffing.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak, de Verhevene: Voorwaar, degenen die verbergen wat Allah heeft neergezonden van het Boek en het verkwanselen voor een geringe prijs (Surah Al-Baqarah, 2:174).

    Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens vermelding verheven is, bedoelt met Zijn uitspraak "Voorwaar, degenen die verbergen wat Allah heeft neergezonden van het Boek" de schriftgeleerden van de Joden, die voor de mensen de zaak van Mohammed — de Profeet ﷺ — en zijn profeetschap verborgen, terwijl zij het bij hen opgetekend vonden in de Torah, in ruil voor steekpenningen (rushā) die zij daarvoor ontvingen, zoals:

    2494 — Bishr ibn Muʿādh heeft ons verteld, hij zei: Yazīd ibn Zurayʿ heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over Zijn uitspraak "Voorwaar, degenen die verbergen wat Allah heeft neergezonden van het Boek" — de hele vers —: dat zijn de Mensen van het Boek; zij verborgen wat Allah hun had neergezonden en hun van de waarheid en de leiding had verduidelijkt, betreffende de zending van Mohammed — de Profeet ﷺ — en zijn zaak.

    2495 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: Ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van al-Rabīʿ, over Zijn uitspraak Voorwaar, degenen die verbergen wat Allah heeft neergezonden van het Boek en het verkwanselen voor een geringe prijs, hij zei: Dat zijn de Mensen van het Boek; zij verborgen wat Allah hun had neergezonden van de waarheid en de islam en de zaak van Mohammed — de Profeet ﷺ.

    2496 — Mūsā ibn Hārūn heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: "Voorwaar, degenen die verbergen wat Allah heeft neergezonden van het Boek" — dat zijn de Joden; zij verborgen de naam van Mohammed — de Profeet ﷺ.

    2497 — Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: Al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, op gezag van ʿIkrima, over Zijn uitspraak "Voorwaar, degenen die verbergen wat Allah heeft neergezonden van het Boek", en die in Āl ʿImrān: Voorwaar, degenen die het verbond van Allah en hun eden verkwanselen voor een geringe prijs [Surah Āl ʿImrān, 3:77] — beide werden tezamen geopenbaard betreffende de Joden.

    * * *

    Wat betreft de uitleg van Zijn uitspraak "en het verkwanselen voor een geringe prijs": daarmee bedoelt Hij: zij kopen er iets mee. En de "hā" in "ermee" (bihi) verwijst terug naar het "verbergen". De betekenis is dus: zij kochten met hun verbergen van wat zij voor de mensen verborgen aangaande de zaak van Mohammed — de Profeet ﷺ — en de zaak van zijn profeetschap, een geringe prijs. Dat is omdat wat zij ontvingen — voor hun verdraaien van het Boek van Allah en het uitleggen ervan op een onjuiste wijze, en hun verbergen van de waarheid daarin — slechts gering aards goed was, zoals:

    2498 — Mūsā ibn Hārūn heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: "en het verkwanselen voor een geringe prijs", hij zei: zij verborgen de naam van Mohammed — de Profeet ﷺ — en namen daarvoor een geringe begeerlijkheid aan; dat is de geringe prijs.

    * * *

    Ik heb reeds eerder de aard van hun "kopen" daarvan verduidelijkt, op een wijze die mij ervan ontheft het hier te herhalen.

    * * *

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak, de Verhevene: Zij zijn het die in hun buiken niets dan het Vuur eten, en Allah zal op de Dag der Opstanding niet tot hen spreken, noch hen louteren, en voor hen is er een pijnlijke bestraffing (174).

    Abū Jaʿfar zei: De Verhevene, wiens vermelding verheven is, bedoelt met Zijn uitspraak "Zij zijn het" — dezen die verbergen wat Allah heeft neergezonden van het Boek aangaande de zaak van Mohammed — de Profeet ﷺ — in ruil voor de armzalige omkoping die hun werd gegeven, waarvoor zij de tekenen (āyāt) van Allah verdraaien en hun betekenissen veranderen — "niets dan in hun buiken eten", door hun eten van de steekpenningen die zij daarvoor namen en het beloofde loon (juʿāla), en wat zij daarvoor aan vergoeding namen — "dan het Vuur", dat wil zeggen: niets dan datgene wat hen het Vuur (al-nār) doet binnengaan en hen erin doet branden, zoals de Verhevene, wiens vermelding verheven is, heeft gezegd: Voorwaar, degenen die het bezit van de wezen onrechtmatig opeten, eten slechts vuur in hun buiken, en zij zullen in een laaiend vuur branden [Surah Al-Nisāʾ, 4:10]. De betekenis daarvan is: zij eten in hun buiken slechts datgene wat hen het Vuur doet binnengaan door hun eten. Hij volstond dus met de vermelding van "het Vuur" en het begrip van de toehoorders van de betekenis van de woorden, zonder vermelding van "datgene wat hen erin doet binnengaan of binnenleidt". En in overeenstemming met wat wij daarover hebben gezegd, heeft een groep van de uitleggers gesproken.

    * Vermelding van wie dat gezegd heeft:

    2499 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: ʿAbdallāh ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van al-Rabīʿ: "Zij zijn het die in hun buiken niets dan het Vuur eten", hij zegt: wat zij daarvoor aan vergoeding namen.

    * * *

    Indien een vraagsteller zegt: Kan het eten ook elders dan in de buik plaatsvinden, zodat gezegd wordt "wat zij in hun buiken eten"?

    Het antwoord luidt: De Arabieren zeggen wel: "ik werd hongerig in iets anders dan mijn buik, en ik werd verzadigd in iets anders dan mijn buik". Daarom werd gezegd "in hun buiken", zoals men zegt: "die en die deed dit zelf (hijzelf)". En wij hebben dat eerder reeds elders verduidelijkt.

    Wat betreft Zijn uitspraak "en Allah zal op de Dag der Opstanding niet tot hen spreken", Hij zegt: Hij zal niet tot hen spreken met datgene wat zij liefhebben en begeren; maar met datgene wat hen kwelt en wat zij verafschuwen, dáármee zal Hij wel tot hen spreken. Want de Verhevene, wiens vermelding verheven is, heeft bericht dat Hij tot hen zal zeggen — wanneer zij zeggen: Onze Heer, haal ons hieruit; indien wij terugvallen, dan zijn wij waarlijk onrechtplegersHij zal zeggen: Blijf erin, vernederd, en spreek niet tot Mij — beide verzen [Surah Al-Muʾminūn, 23:107-108].

    * * *

    Wat betreft Zijn uitspraak "noch hen louteren", daarmee bedoelt Hij: noch hen reinigen van de bezoedeling van hun zonden en hun ongeloof (kufr); "en voor hen is er een pijnlijke bestraffing (ʿadhāb)", dat wil zeggen: een smartelijke.

    ----------------

    Voetnoten:

    (31) Al-juʿl en al-juʿāla: een bedongen loon dat wordt vastgesteld voor degene die iets zegt of doet.

    (32) Zie wat eerder is gegaan, 2:272, en dit deel 3:159-160.

    (33) Zie wat eerder is gegaan, 1:573-574, en dit deel 3:88.

    (34) Zie wat eerder is gegaan, 1:283; vervolgens 2:140, 377, 506, 540.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله تعالى : إِنَّ الَّذِينَ يَكْتُمُونَ مَا أَنْـزَلَ اللَّهُ مِنَ الْكِتَابِ وَيَشْتَرُونَ بِهِ ثَمَنًا قَلِيلا قال أبو جعفر: يعني تعالى ذكره بقوله: " إنّ الذينَ يَكتمون ما أنـزل الله من الكتاب "، أحبارَ اليهود الذين كتموا الناس أمرَ محمد صلى الله عليه وسلم ونبوّته, وهم يجدونه مكتوبًا عندهم في التوراة، برُشًى كانوا أُعطوها على ذلك، كما:- 2494- حدثنا بشر بن معاذ قال، حدثنا يزيد بن زريع قال: حدثنا سعيد, عن قتادة قوله: " إنّ الذين يكتمون ما أنـزل الله من الكتاب " الآية كلها، هم أهل الكتاب، كتموا ما أنـزل الله عليهم وبَين لهم من الحق والهدى، من بعث محمد صلى الله عليه وسلم وأمره. 2495- حدثنا المثنى قال، حدثنا إسحاق قال، حدثنا ابن أبي جعفر، عن أبيه, عن الربيع في قوله: (إنّ الذين يكتمون ما أنـزل الله من الكتاب ويَشترون به ثمنًا قليلا) قال: هم أهل الكتاب، كتموا ما أنـزل الله عليهم من الحق والإسلامَ وشأنَ محمد صلى الله عليه وسلم. 2496- حدثني موسى بن هارون قال، حدثنا عمرو قال حدثنا أسباط, عن السدي: " إن الذين يكتمون مَا أنـزل الله منَ الكتاب "، فهؤلاء اليهود، كتموا اسم محمد صلى الله عليه وسلم. 2497- حدثنا القاسم قال، حدثنا الحسين قال، حدثني حجاج, عن ابن جريج, عن عكرمة قوله: " إنّ الذين يكتمونَ ما أنـزل الله من الكتاب "، والتي في"آل عمران إِنَّ الَّذِينَ يَشْتَرُونَ بِعَهْدِ اللَّهِ وَأَيْمَانِهِمْ ثَمَنًا قَلِيلا [سورة آل عمران: 77] نـزلتا جميعًا في يهود. * * * وأما تأويل قوله: " ويَشترون به ثمنًا قليلا "، فإنه يعني: يبتاعون به." والهاء " التي في" به "، من ذكر " الكتمان ". فمعناه: ابتاعوا بكتمانهم ما كتموا الناس من أمر محمد صلى الله عليه وسلم وأمر نبوَّته ثمنًا قليلا. وذلك أنّ الذي كانوا يُعطَوْن = على تحريفهم كتابَ الله وتأويلهِمُوه على غير وجهه، وكتمانهم الحق في ذلك = اليسيرَ من عرض الدنيا، كما:- 2498- حدثني موسى بن هارون قال، حدثنا عمرو قال، حدثنا أسباط, عن السدي: " ويشترون به ثمنًا قليلا " قال، كتموا اسم محمد صلى الله عليه وسلم, وأخذوا عليه طمعًا قليلا فهو الثمن القليل. * * * وقد بينت فيما مضى صفة " اشترائهم " ذلك، بما أغنى عن إعادته هاهنا. * * * القول في تأويل قوله تعالى : أُولَئِكَ مَا يَأْكُلُونَ فِي بُطُونِهِمْ إِلا النَّارَ وَلا يُكَلِّمُهُمُ اللَّهُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ وَلا يُزَكِّيهِمْ وَلَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ (174) قال أبو جعفر: يعني تعالى ذكره بقوله: " أولئك "، - هؤلاء الذين يكتمون ما أنـزل الله من الكتاب في شأن محمد صلى الله عليه وسلم بالخسيس من الرِّشوة يُعطَوْنها, فيحرِّفون لذلك آيات الله ويغيِّرون معانيها =" ما يأكلون في بطونهم " - بأكلهم ما أكلوا من الرُّشى على ذلك والجعالة، (31) وما أخذوا عليه من الأجر =" إلا النار " - يعني: إلا ما يوردهم النار ويُصْليهموها, كما قال تعالى ذكره: إِنَّ الَّذِينَ يَأْكُلُونَ أَمْوَالَ الْيَتَامَى ظُلْمًا إِنَّمَا يَأْكُلُونَ فِي بُطُونِهِمْ نَارًا وَسَيَصْلَوْنَ سَعِيرًا [سورة النساء: 10] معناه: ما يأكلون في بطونهم إلا ما يوردهم النار بأكلهم. فاستغنى بذكر " النار " وفهم السامعين معنى الكلام، عن ذكر " ما يوردهم، أو يدخلهم ". وبنحو الذي قلنا في ذلك قال جماعة من أهل التأويل. * ذكر من قال ذلك: 2499- حدثني المثنى قال، حدثنا إسحاق قال، حدثنا عبد الله بن أبي جعفر, عن أبيه, عن الربيع: " أولئك مَا يَأكلون في بُطونهم إلا النار "، يقول: ما أخذوا عليه من الأجر. * * * فإن قال قائل: فهل يكون الأكل في غير البطن فيقال: " ما يأكلون في بطونهم "؟ قيل: قد تقول العرب: " جُعت في غير بطني, وشَبعتُ في غير بطني", فقيل: في بُطونهم لذلك، كما يقال: " فعل فُلان هذا نفسُه ". وقد بينا ذلك في غير هذا الموضع، فيما مضى. (32) وأما قوله: " ولا يُكلِّمهمُ الله يَومَ القيامة "، يقول: ولا يكلمهم بما يحبون ويشتهون, فأما بما يسُوءهم ويكرَهون، فإنه سيكلمهم. لأنه قد أخبر تعالى ذكره أنه يقول لهم - إذا قالوا: رَبَّنَا أَخْرِجْنَا مِنْهَا فَإِنْ عُدْنَا فَإِنَّا ظَالِمُونَ * قَالَ اخْسَئُوا فِيهَا وَلا تُكَلِّمُونِ الآيتين [سورة المؤمنون: 107-108]. * * * وأما قوله: " ولا يُزكِّيهم "، فإنه يعني: ولا يطهِّرهم من دَنس ذنوبهم وكفرهم، (33) " ولهم عذاب أليم "، يعني: مُوجع (34) ---------------- الهوامش : (31) الجعل (بضم فسكون) والجعالة (مثلثة الجيم) : أجر مشروط يجعل للقائل أو الفاعل شيئًا . (32) انظر ما سلف 2 : 272 ، وهذا الجزء 3 : 159-160 . (33) انظر ما سلف 1 : 573-574 ، وهذا الجزء 3 : 88 . (34) انظر ما سلف 1 : 283 . ثم 2 : 140 ، 377 ، 506 ، 540