Tafseer van De Koe · Al-Baqara · 2:172
O jullie die geloven, eet van de goede dingen waarmee Wij jullie hebben voorzien en weest Allah dankbaar als Hij alleen het is die jullie aanbidden.
Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak, de Verhevene: يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا كُلُوا مِنْ طَيِّبَاتِ مَا رَزَقْنَاكُمْ وَاشْكُرُوا لِلَّهِ إِنْ كُنْتُمْ إِيَّاهُ تَعْبُدُونَ (172)
(O jullie die geloven, eet van de goede dingen waarmee Wij jullie hebben voorzien, en wees dankbaar jegens Allah, indien jullie waarlijk Hem aanbidden) (172)
Abū Jaʿfar zei: De Verhevene — verheven zij Zijn gedachtenis — bedoelt met Zijn uitspraak "O jullie die geloven": o jullie die Allah en Zijn Boodschapper voor waar hebben gehouden, die zich tegenover Allah aan de dienstbaarheid (ʿubūdiyya) hebben overgegeven, en die zich aan Hem hebben onderworpen in gehoorzaamheid, zoals:
2467 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: Abū Zuhayr heeft ons verteld, op gezag van Juwaybir, op gezag van al-Ḍaḥḥāk, betreffende Zijn uitspraak "O jullie die geloven", hij zegt: zij hebben voor waar gehouden.
* * *
"Eet van de goede dingen waarmee Wij jullie hebben voorzien" — dat betekent: eet van de toegestane voorziening (rizq) die Wij jullie hebben toegestaan, en die voor jullie goed werd doordat Ik die voor jullie toestond, namelijk van dat wat jullie zelf verboden verklaarden terwijl Ik het jullie niet verboden had, van de spijzen en dranken. "En wees dankbaar jegens Allah" — Hij zegt: en prijst Allah met datgene waartoe Hij van jullie kant recht heeft, vanwege de gunsten waarmee Hij jullie heeft voorzien en die Hij voor jullie goed heeft gemaakt. "Indien jullie waarlijk Hem aanbidden" — Hij zegt: indien jullie je onderwerpen aan Zijn bevel, luisterend en gehoorzaam, eet dan van wat Hij jullie toegestaan heeft te eten, wat Hij voor jullie heeft veroorloofd en goed heeft gemaakt, en laat met betrekking tot het verbieden ervan de voetstappen van de Satan varen.
Wij hebben reeds een deel vermeld van wat zij in hun tijd van onwetendheid (jāhiliyya) aan spijzen verboden verklaarden, en dat is hetgeen waartoe Hij hen aanspoorde het te eten, en waarvan Hij hun verbood te geloven dat het verboden was, aangezien hun verbod ervan in de jāhiliyya een gehoorzaamheid van hen aan de Satan was, en een navolging van de ongelovigen in Allah onder hen, namelijk de vaderen en de voorouders. Vervolgens heeft de Verhevene — verheven zij Zijn gedachtenis — hun duidelijk gemaakt wat Hij hun verboden had, en heeft Hij het hun in detail uiteengezet en verklaard.
------------------
Voetnoten:
(21) In de gedrukte uitgave staat "wa-faṣṣala lahum" ("en heeft het hun uiteengezet"); het juiste is wat is vastgesteld. En dit wat hij hier gezegd heeft is een ander bewijs ervoor dat Abū Jaʿfar in de kwestie van deze verzen geaarzeld heeft, want hij is teruggekeerd en heeft een deel van de voorgaande verzen betrokken op de polytheïsten (mushrikīn) van de Arabieren in hun jāhiliyya, zoals je ziet, en dit is ook duidelijk in zijn uitleg van het volgende vers. Zie blz. 314, aantekening 1.