Tafseer van De Koe · Al-Baqara · 2:113
En de Joden zeiden: "De christenen hebben geen grondslag" (voor hun beweringen). En de Christenen zeiden: "De Joden hebben geen grondslag. "Terwijl zij de Schrift voorlezen. Degenen die niet weten (de veelgodenaanbidders), spreken het zelfde woord als zij. En Allah zal tussen hen oordelen op de Dag der Opstanding omtrent dat waarover zij van mening verschillen.
De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: وَقَالَتِ الْيَهُودُ لَيْسَتِ النَّصَارَى عَلَى شَيْءٍ وَقَالَتِ النَّصَارَى لَيْسَتِ الْيَهُودُ عَلَى شَيْءٍ وَهُمْ يَتْلُونَ الْكِتَابَ
(En de joden zeggen: "De christenen baseren zich op niets," en de christenen zeggen: "De joden baseren zich op niets," terwijl zij toch het Boek lezen.)
Abū Jaʿfar zei: Er is overgeleverd dat dit vers werd geopenbaard betreffende een groep mensen van de twee Boekenvolken die met elkaar twistten in de aanwezigheid van de Boodschapper van Allah ﷺ, waarbij de een tegen de ander iets zei.
* Vermelding van wie dat heeft gezegd:
1811 – Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld; en Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: Yūnus ibn Bukayr heeft ons verteld – zij beiden zeiden: Muḥammad ibn Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: Muḥammad ibn Abī Muḥammad, de vrijgelatene van Zayd ibn Thābit, heeft mij verteld, hij zei: Saʿīd ibn Jubayr of ʿIkrima heeft mij verteld, op gezag van Ibn ʿAbbās, die zei: Toen de mensen van Najrān, van de christenen, bij de Boodschapper van Allah ﷺ kwamen, kwamen de schriftgeleerden van de joden naar hen toe, en zij twistten met elkaar in de aanwezigheid van de Boodschapper van Allah ﷺ. Rāfiʿ ibn Ḥuraymila zei: "Jullie baseren je op niets," en hij verloochende ʿĪsā de zoon van Maryam en het Evangelie. Toen zei een man van de mensen van Najrān, van de christenen: "Jullie baseren je op niets," en hij ontkende het profeetschap van Mūsā en verloochende de Torah. Daarop openbaarde Allah, machtig en verheven, hierover, betreffende hun beider uitspraak: En de joden zeggen: "De christenen baseren zich op niets," en de christenen zeggen: "De joden baseren zich op niets", tot aan Zijn woord: betreffende datgene waarover zij van mening verschilden. (1)
1812 – Mij is verteld op gezag van ʿAmmār, hij zei: Ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van al-Rabīʿ, betreffende Zijn woord: En de joden zeggen: "De christenen baseren zich op niets," en de christenen zeggen: "De joden baseren zich op niets", hij zei: Dit zijn de Mensen van het Boek die leefden in de tijd van de Profeet ﷺ.
* * *
Abū Jaʿfar zei: Wat de uitleg van het vers betreft: de joden zeiden namelijk: "De christenen zijn in hun godsdienst niet in het gelijk!", en de christenen zeiden: "De joden zijn in hun godsdienst niet in het gelijk!" Allah heeft de gelovigen over die uitspraak van hen slechts ingelicht om hen ervan op de hoogte te stellen dat elke groep van hen de bepaling van het Boek verwaarloosde — het Boek waarvan zij openlijk de geldigheid erkennen en erkennen dat het van Allah afkomstig is — terwijl zij desondanks loochenen wat Allah daarin aan verplichtingen heeft neergezonden. Want het Evangelie, waarvan de christenen de geldigheid en waarheid als geloofsleer aanhangen, bevestigt wat in de Torah staat over het profeetschap van Mūsā, vrede zij met hem, en over de verplichtingen die Allah daarin aan de kinderen van Israël heeft opgelegd. En de Torah, waarvan de joden de geldigheid en waarheid als geloofsleer aanhangen, bevestigt het profeetschap van ʿĪsā, vrede zij met hem, en wat hij van Allah aan oordelen en verplichtingen heeft gebracht.
Vervolgens zei elke groep van hen tegen de andere groep wat Allah over hen heeft bericht in Zijn woord: En de joden zeggen: "De christenen baseren zich op niets," en de christenen zeggen: "De joden baseren zich op niets", terwijl elk van beide groepen zijn Boek las dat tegen de leugenachtigheid van zijn uitspraak getuigt. Zo heeft Hij, verheven is Zijn lof, bericht dat elke groep van hen zei wat zij daarvan zei, terwijl zij wisten dat zij in wat zij zeiden in het ongelijk waren; en zij begingen het ongeloof dat zij begingen, terwijl zij wisten dat zij daarin afvalligen waren.
Indien iemand tegen ons zou zeggen: Baseerden de joden en de christenen zich dan op iets nadat Allah Zijn Boodschapper had gezonden, zodat de groep van hen die dat tegen de andere groep zei in het ongelijk verkeerde met de uitspraak die zij deed?
Dan wordt geantwoord: Wij hebben reeds eerder het bericht overgeleverd dat wij van Ibn ʿAbbās hebben vermeld, namelijk dat de ontkenning door elke groep van hen slechts een ontkenning was van het profeetschap van de Profeet ﷺ — die zich erop beroept hém te bevestigen, alsook datgene wat de andere groep heeft gebracht — en niet een ontkenning hunnerzijds dat de andere groep, op het tijdstip waarop Allah onze Profeet ﷺ zond, zich op iets van haar godsdienst baseerde, op grond van zijn loochening van het profeetschap van onze Profeet Muḥammad ﷺ. En hoe zou het toelaatbaar kunnen zijn dat de betekenis daarvan zou zijn dat elke groep van hen ontkende dat de andere groep zich op iets baseerde ná de zending van onze Profeet ﷺ, terwijl beide groepen het profeetschap van onze Profeet Muḥammad ﷺ loochenden op het tijdstip waarop Allah dit vers neerzond? De betekenis daarvan is veeleer: en de joden zeiden: "De christenen baseren zich op niets van hun godsdienst sinds zij hun godsdienst aanhingen," en de christenen zeiden: "De joden baseren zich op niets sinds zij hun godsdienst aanhingen." En dat is de betekenis van het bericht dat wij zojuist van Ibn ʿAbbās hebben overgeleverd. Zo verklaarde Allah beide groepen leugenachtig in de uitspraak die zij deden. Zoals:
1813 – Bishr ibn Muʿādh heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, betreffende Zijn woord: En de joden zeggen: "De christenen baseren zich op niets", hij zei: Jawel! De eerste christenen baseerden zich wél op iets, maar zij voerden nieuwlichterijen in en raakten verdeeld. En de christenen zeiden: De joden baseren zich op niets, maar het volk voerde nieuwlichterijen in en raakte verdeeld.
1814 – Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: Al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj: En de joden zeggen: "De christenen baseren zich op niets," en de christenen zeggen: "De joden baseren zich op niets", hij zei: Mujāhid zei: De eerste joden en christenen baseerden zich wél op iets.
* * *
Wat Zijn woord betreft: terwijl zij toch het Boek lezen, daarmee bedoelt Hij het Boek van Allah, de Torah en het Evangelie, die beide tegen de twee groepen, de joden en de christenen, getuigen van ongeloof en van hun overtreding van het gebod van Allah dat Hij hun daarin opgelegd had. Zoals:
1815 – Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: Yūnus ibn Bukayr heeft ons verteld; en Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama ibn al-Faḍl heeft ons verteld – zij beiden zeiden: Ibn Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: Muḥammad ibn Abī Muḥammad, de vrijgelatene van Zayd ibn Thābit, heeft mij verteld, hij zei: Saʿīd ibn Jubayr of ʿIkrima heeft mij verteld, op gezag van Ibn ʿAbbās, betreffende Zijn woord: terwijl zij toch het Boek lezen; zo spreken ook degenen die geen kennis hebben gelijkluidend aan hun uitspraak, dat wil zeggen: ieder leest in zijn Boek de bevestiging van datgene wat hij verloochent; namelijk: de joden verloochenen ʿĪsā, terwijl zij de Torah bezitten waarin staat wat Allah hun bij monde van Mūsā aan verbond heeft opgelegd om ʿĪsā, vrede zij met hem, te bevestigen; en in het Evangelie, met datgene waarmee ʿĪsā kwam, staat de bevestiging van Mūsā en van wat hij van de Torah, van Allah afkomstig, heeft gebracht. En ieder van hen verloochent wat zich in de hand van de ander bevindt. (2)
* * *
De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: كَذَلِكَ قَالَ الَّذِينَ لا يَعْلَمُونَ مِثْلَ قَوْلِهِمْ
(Zo spreken ook degenen die geen kennis hebben gelijkluidend aan hun uitspraak.)
Abū Jaʿfar zei: De uitleggers verschilden van mening over wie Allah bedoelde met Zijn woord: Zo spreken ook degenen die geen kennis hebben. Sommigen van hen zeiden hetgeen volgt:
1816 – Al-Muthannā heeft mij dit verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: Ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van al-Rabīʿ: spreken degenen die geen kennis hebben gelijkluidend aan hun uitspraak, hij zei: De christenen spraken gelijkluidend aan de uitspraak van de joden die hen voorgingen.
1817 – Bishr ibn Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: spreken degenen die geen kennis hebben gelijkluidend aan hun uitspraak, hij zei: De christenen spraken gelijkluidend aan de uitspraak van de joden die hen voorgingen.
* * *
Anderen zeiden hetgeen volgt:
1818 – Al-Qāsim heeft ons dit verteld, hij zei: Al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, hij zei: Ibn Jurayj zei: Ik zei tegen ʿAṭāʾ: Wie zijn dezen die geen kennis hebben? Hij zei: Het zijn gemeenschappen die er waren vóór de joden en de christenen, en vóór de Torah en het Evangelie.
* * *
En sommigen van hen zeiden: Hiermee worden de polytheïsten van de Arabieren (mushrikīn) bedoeld, omdat zij geen Mensen van het Boek waren; daarom werden zij aan onwetendheid toegeschreven en werd hun om die reden de kennis ontzegd.
* Vermelding van wie dat heeft gezegd:
1819 – Mūsā ibn Hārūn heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: Zo spreken ook degenen die geen kennis hebben gelijkluidend aan hun uitspraak, dat zijn de Arabieren, zij zeiden: "Muḥammad ﷺ baseert zich op niets."
* * *
Abū Jaʿfar zei: Het juiste standpunt hierover is volgens ons dat gezegd wordt: Allah, de Gezegende en Verhevene, heeft bericht over een volk dat Hij met onwetendheid kenschetste en aan wie Hij de kennis ontzegde die de joden en de christenen wél bezaten — namelijk dat zij in hun onwetendheid hetzelfde zeiden als wat de joden en de christenen tegen elkaar zeiden, datgene waarover Allah over hen heeft bericht in Zijn woord: En de joden zeggen: "De christenen baseren zich op niets," en de christenen zeggen: "De joden baseren zich op niets". Het is mogelijk dat zij de polytheïsten van de Arabieren zijn, en het is mogelijk dat zij een gemeenschap zijn die er vóór de joden en de christenen was. En geen enkele gemeenschap heeft meer recht dan een andere om gezegd te worden dat zíj daarmee bedoeld is, aangezien er in het vers geen aanwijzing is voor het een boven het ander, noch een bericht hierover van de Boodschapper van Allah ﷺ waarvan het bewijs vaststaat door de overlevering van één betrouwbaar persoon, noch door de wijdverbreide overlevering.
Allah, verheven is Zijn lof, beoogde met Zijn woord: Zo spreken ook degenen die geen kennis hebben gelijkluidend aan hun uitspraak slechts de gelovigen ervan op de hoogte te stellen dat de joden en de christenen zich hebben overgegeven aan het uitspreken van valsheid, het verzinnen van leugens tegen Allah en het loochenen van het profeetschap van de profeten en boodschappers — terwijl zij Mensen van het Boek zijn die weten dat zij in wat zij zeggen in het ongelijk zijn, en dat zij door de loochening die zij begaan buiten hun geloofsgemeenschap treden en tegen Allah verzinsels uiten — net zoals datgene wat is gezegd door de mensen die onwetend zijn over Allah, Zijn Boeken en Zijn boodschappers, voor wie Allah geen boodschapper heeft gezonden en aan wie Hij geen Boek heeft geopenbaard.
En dit vers maakt duidelijk dat wie iets van de ongehoorzaamheden jegens Allah begaat, terwijl hij weet dat Allah dat heeft verboden, een grotere ramp over zijn godsdienst afroept dan de ramp van hem die dat in onwetendheid daarover begaat. Want Allah, verheven is Zijn vermelding, heeft de berisping van de joden en de christenen, waarmee Hij hen berispte om hun uitspraak waarover Hij over hen heeft bericht in Zijn woord: En de joden zeggen: "De christenen baseren zich op niets," en de christenen zeggen: "De joden baseren zich op niets", juist zo zwaar gemaakt omdat zij Mensen van het Boek waren die zeiden wat zij daarvan zeiden, terwijl zij wisten dat zij in het ongelijk waren.
* * *
De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: فَاللَّهُ يَحْكُمُ بَيْنَهُمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ فِيمَا كَانُوا فِيهِ يَخْتَلِفُونَ (113)
(Allah zal dan tussen hen oordelen op de Dag der Opstanding over datgene waarover zij van mening verschilden.)
Abū Jaʿfar zei: Hiermee bedoelt Hij, verheven is Zijn lof: Allah zal oordeel vellen en zo scheiding aanbrengen tussen dezen die van mening verschillen — die tegen elkaar zeggen: "Jullie baseren je op niets van jullie godsdienst" — op de Dag waarop de schepselen voor hun Heer uit hun graven opstaan. Dan zal de waarheidsgetrouwe onder hen worden onderscheiden van degene die in het ongelijk is, doordat Hij de waarheidsgetrouwe beloont met wat Hij de mensen van Zijn gehoorzaamheid heeft beloofd voor hun goede daden, en doordat Hij degene onder hen die in het ongelijk is vergeldt met wat Hij de mensen van ongeloof jegens Hem heeft aangezegd voor hun ongeloof — betreffende datgene waarover zij van mening verschilden ten aanzien van hun godsdiensten en geloofsgemeenschappen in het wereldse verblijf.
* * *
Wat "al-qiyāma" (de Opstanding) betreft: het is een verbaalzelfstandig naamwoord (maṣdar) van de uitspraak van de spreker: "qumtu qiyāman wa-qiyāmatan" (ik stond op, opstaan en opstanding), zoals men zegt: "ʿudtu fulānan ʿiyādatan" (ik bezocht zus-en-zo, bezoek) en "ṣuntu hādhā al-amra ṣiyānatan" (ik bewaakte deze zaak, bewaking).
* * *
Met "al-qiyāma" wordt slechts bedoeld het opstaan van de schepselen uit hun graven voor hun Heer. De betekenis van "Dag der Opstanding" (yawm al-qiyāma) is dus: de Dag van het opstaan van de schepselen uit hun graven naar hun verzamelplaats.
------------------
Voetnoten:
(1) Overlevering 1811 – in de Sīra van Ibn Hishām, deel 2: 197–198.
(2) Overlevering 1815 – in de Sīra van Ibn Hishām, deel 2: 198.