Tabari
Terug naar surah 2, ayah 10

Tafseer van De Koe · Al-Baqara · 2:10

فِى قُلُوبِهِم مَّرَضٌۭ فَزَادَهُمُ ٱللَّهُ مَرَضًۭا ۖ وَلَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌۢ بِمَا كَانُوا۟ يَكْذِبُونَ

In hun hart is een ziekte (twijfel en huichelarij) en Allah heeft deze ziekte doen verergeren, en voor hen is er een pijnlijke bestratting vanwege wat zij plachten te loochenen.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De uitleg van de uitspraak van Hem, verheven is Zijn lof: فِي قُلُوبِهِمْ مَرَضٌ ("In hun harten is een ziekte")

    Abū Jaʿfar zei: De grondbetekenis van "ziekte" (maraḍ) is gebreklijdendheid, ongesteldheid (saqam); vervolgens wordt dit woord gebruikt zowel met betrekking tot de lichamen als tot de godsdiensten. Allah, verheven is Zijn lof, heeft dus bericht dat in de harten van de hypocrieten (munāfiqīn) een ziekte is. Gezegend en verheven is Hij, met Zijn bericht over de ziekte van hun harten heeft Hij eigenlijk het bericht bedoeld over de ziekte van datgene wat in hun harten is aan overtuiging (iʿtiqād). Maar aangezien het door het bericht over de ziekte van het hart bekend is dat hiermee bedoeld wordt de ziekte van datgene wat zij geloven aan overtuiging, was het bericht over het hart hiervoor toereikend, en behoefde het geen uitdrukkelijke vermelding van het bericht over hun innerlijke gezindheid en hun overtuigingen. Zoals ʿUmar ibn Lajaʾ zei:

    "En de stad (al-Madīna) verheerlijkte [Allah] — verwijt het haar niet —, zij zag een maan op hun markt bij dag."

    Hij bedoelt: en de bewoners van de stad verheerlijkten [Allah]. Hij liet het, omdat de hoorders zijn bericht zouden begrijpen, bij het bericht over de stad in plaats van het bericht over haar bewoners. En soortgelijk is de uitspraak van ʿAntara al-ʿAbsī:

    "Waarom vroeg je de paarden niet, o dochter van Mālik? Als je onwetend was over wat je niet wist."

    Hij bedoelt: waarom vroeg je de berijders der paarden niet? En hiertoe behoort hun uitspraak: "O paarden van Allah, bestijg!" — waarmee bedoeld wordt: o berijders van de paarden van Allah, bestijg [ze]! De getuigenissen hiervoor zijn talrijker dan een boek kan optellen, en in wat wij genoemd hebben is toereikendheid voor wie het begrijpen vergund is.

    Zo is dus de betekenis van de uitspraak van Allah, verheven is Zijn lof: فِي قُلُوبِهِمْ مَرَضٌ ("In hun harten is een ziekte"). Hij bedoelt slechts: in de overtuiging van hun harten die zij in de godsdienst aanhangen, en in [hun verhouding tot] de bevestiging van Muḥammad ﷺ en van wat hij van bij Allah heeft gebracht, is een ziekte en gebreklijdendheid. Hij liet het volstaan met de aanwijzing van het bericht over hun harten naar zijn bedoeling, in plaats van het uitdrukkelijke bericht over hun overtuiging.

    En de ziekte waarvan Allah, verheven is Zijn lof, vermeldde dat zij in de overtuiging van hun harten is die wij beschreven hebben: dat is hun twijfel aangaande de zaak van Muḥammad en wat hij van bij Allah heeft gebracht, en hun verwarring daaromtrent. Zij zijn er noch zeker van met de zekerheid van het geloof (īmān), noch verwerpen zij het met de verwerping van shirk (het toekennen van deelgenoten aan Allah), maar zij zijn, zoals Allah, machtig en verheven, hen beschreven heeft, heen en weer geslingerd daartussen, niet naar dezen toe en niet naar genen toe. Zoals men zegt: die-en-die "ziekt" (yumarriḍu) in deze zaak, dat wil zeggen: hij verzwakt het besluit en brengt het overleg erover niet tot klaarheid.

    En in overeenstemming met wat wij over de uitleg hiervan gezegd hebben, hebben de uitleggers (mufassirūn) elkaar onderling in hun verklaring versterkt.

    * Vermelding van wie dat gezegd heeft:

    322 — Muḥammad ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Muḥammad ibn Isḥāq, op gezag van Muḥammad ibn Abī Muḥammad, de cliënt (mawlā) van Zayd ibn Thābit, op gezag van ʿIkrima, óf op gezag van Saʿīd ibn Jubayr, op gezag van Ibn ʿAbbās: "In hun harten is een ziekte", dat wil zeggen: twijfel.

    323 — En mij is verteld op gezag van al-Minjāb, hij zei: Bishr ibn ʿUmāra heeft ons verteld, op gezag van Abū Rawq, op gezag van al-Ḍaḥḥāk, op gezag van Ibn ʿAbbās, hij zei: De ziekte is de hypocrisie (nifāq).

    324 — Mūsā ibn Hārūn heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr ibn Ḥammād heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī in een bericht dat hij vermeldde, op gezag van Abū Mālik, en op gezag van Abū Ṣāliḥ, op gezag van Ibn ʿAbbās — en op gezag van Murra al-Hamdānī, op gezag van Ibn Masʿūd, en op gezag van enkele lieden uit de metgezellen van de Profeet ﷺ: "In hun harten is een ziekte" — hij zegt: in hun harten is twijfel.

    325 — Yūnus ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān ibn Zayd zei, betreffende Zijn uitspraak: "In hun harten is een ziekte", hij zei: Dit is een ziekte in de godsdienst, en geen ziekte in de lichamen. Hij zei: En zij zijn de hypocrieten (munāfiqīn).

    326 — Al-Muthannā ibn Ibrāhīm heeft mij verteld, hij zei: Suwayd ibn Naṣr heeft ons verteld, hij zei: Ibn al-Mubārak heeft ons bericht, voorgelezen, op gezag van Saʿīd, op gezag van Qatāda, betreffende Zijn uitspraak "In hun harten is een ziekte", hij zei: In hun harten is achterdocht en twijfel aangaande de zaak van Allah, verheven is Zijn lof.

    327 — En mij is verteld op gezag van ʿAmmār ibn al-Ḥasan, hij zei: Ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van al-Rabīʿ ibn Anas: "In hun harten is een ziekte", hij zei: Zij zijn de lieden van de hypocrisie (nifāq), en de ziekte die in hun harten is, is de twijfel aangaande de zaak van Allah, verheven is Zijn gedachtenis.

    328 — Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān ibn Zayd zei: وَمِنَ النَّاسِ مَنْ يَقُولُ آمَنَّا بِاللَّهِ وَبِالْيَوْمِ الآخِرِ ("En onder de mensen zijn er die zeggen: wij geloven in Allah en in de Laatste Dag") tot hij kwam aan: فِي قُلُوبِهِمْ مَرَضٌ ("In hun harten is een ziekte"). Hij zei: De ziekte is de twijfel die in hen is binnengeslopen aangaande de islam.

    De uitleg van de uitspraak van Hem, verheven is Zijn lof: فَزَادَهُمُ اللَّهُ مَرَضًا ("Allah heeft hun ziekte vermeerderd")

    Wij hebben zojuist aangetoond dat de uitleg van de ziekte waarvan Allah, verheven is Zijn lof, beschreef dat zij in de harten van de hypocrieten is, de twijfel is in de overtuigingen van hun harten en hun godsdiensten, en in datgene waarbij zij volharden aangaande de zaak van Muḥammad, de boodschapper van Allah ﷺ, en de zaak van zijn profeetschap en wat hij heeft gebracht.

    De ziekte waarvan Allah, verheven is Zijn lof, over hen berichtte dat Hij die voor hen vermeerderde bovenop hun ziekte, is van dezelfde aard als wat in hun harten was aan twijfel en verwarring vóór de vermeerdering. Allah vermeerderde hen dus — door middel van wat Hij aan voorgeschreven grenzen (ḥudūd) en verplichtingen (farāʾiḍ) deed ontstaan, die Hij niet had voorgeschreven vóór de vermeerdering die Hij de hypocrieten vermeerderde — met twijfel en verwarring, toen zij twijfelden en achterdochtig werden aangaande datgene wat Hij hun daarvan deed ontstaan; [en dit kwam] bovenop de ziekte en de twijfel die in hun harten was in het verleden, betreffende Zijn grenzen en verplichtingen die Hij vóór dat had voorgeschreven. Net zoals Hij de gelovigen die in Hem geloofden, vermeerderde bovenop hun geloof waarbij zij vóór dat verkeerden, door middel van datgene wat Hij hun aan verplichtingen en grenzen deed ontstaan, toen zij erin geloofden — [een vermeerdering] bovenop hun geloof in het voorgaande van Zijn grenzen en Zijn verplichtingen — een [vermeerdering aan] geloof. Zoals Hij, verheven is Zijn lof, zei in Zijn neerzending: وَإِذَا مَا أُنْـزِلَتْ سُورَةٌ فَمِنْهُمْ مَنْ يَقُولُ أَيُّكُمْ زَادَتْهُ هَذِهِ إِيمَانًا فَأَمَّا الَّذِينَ آمَنُوا فَزَادَتْهُمْ إِيمَانًا وَهُمْ يَسْتَبْشِرُونَ * وَأَمَّا الَّذِينَ فِي قُلُوبِهِمْ مَرَضٌ فَزَادَتْهُمْ رِجْسًا إِلَى رِجْسِهِمْ وَمَاتُوا وَهُمْ كَافِرُونَ ("En wanneer er een sūra wordt neergezonden, zijn er onder hen die zeggen: bij wie van jullie heeft deze het geloof vermeerderd? Wat hen betreft die geloven, zij heeft hun geloof vermeerderd en zij verheugen zich. Maar wat hen betreft in wier harten een ziekte is, zij heeft hun gruwel bovenop hun gruwel vermeerderd, en zij stierven terwijl zij ongelovigen waren") [Sūrat al-Tawba: 124, 125]. De vermeerdering dus die de hypocrieten vermeerderd werden aan gruwelijkheid bovenop hun gruwelijkheid, is dat wat wij beschreven hebben. En die welke de gelovigen vermeerderd werden bovenop hun geloof, is dat wat wij uiteengezet hebben. En dat is de uitleg waarover overeenstemming bestaat.

    Vermelding van enigen van de lieden van de uitleg die dat gezegd hebben:

    329 — Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Muḥammad ibn Isḥāq, op gezag van Muḥammad ibn Abī Muḥammad, de cliënt (mawlā) van Zayd ibn Thābit, op gezag van ʿIkrima, óf op gezag van Saʿīd ibn Jubayr, op gezag van Ibn ʿAbbās: "Allah heeft hun ziekte vermeerderd", hij zei: twijfel.

    330 — Mūsā ibn Hārūn heeft mij verteld, hij zei: ʿAmr ibn Ḥammād heeft ons bericht, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, in een bericht dat hij vermeldde, op gezag van Abū Mālik, en op gezag van Abū Ṣāliḥ, op gezag van Ibn ʿAbbās — en op gezag van Murra al-Hamdānī, op gezag van Ibn Masʿūd, en op gezag van enkele lieden uit de metgezellen van de Profeet ﷺ: "Allah heeft hun ziekte vermeerderd", hij zegt: Allah heeft hun achterdocht en twijfel vermeerderd.

    331 — Al-Muthannā ibn Ibrāhīm heeft mij verteld, hij zei: Suwayd ibn Naṣr heeft ons verteld, hij zei: Ibn al-Mubārak heeft ons bericht, voorgelezen, op gezag van Saʿīd, op gezag van Qatāda: "Allah heeft hun ziekte vermeerderd", hij zegt: Allah heeft hun achterdocht en twijfel aangaande de zaak van Allah vermeerderd.

    332 — Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei, betreffende de uitspraak van Allah: "In hun harten is een ziekte, en Allah heeft hun ziekte vermeerderd", hij zei: Hij vermeerderde hun gruwel. En hij las de uitspraak van Allah, machtig en verheven: فَأَمَّا الَّذِينَ آمَنُوا فَزَادَتْهُمْ إِيمَانًا وَهُمْ يَسْتَبْشِرُونَ * وَأَمَّا الَّذِينَ فِي قُلُوبِهِمْ مَرَضٌ فَزَادَتْهُمْ رِجْسًا إِلَى رِجْسِهِمْ ("Wat hen betreft die geloven, zij heeft hun geloof vermeerderd en zij verheugen zich. Maar wat hen betreft in wier harten een ziekte is, zij heeft hun gruwel bovenop hun gruwel vermeerderd"). Hij zei: kwaad bovenop hun kwaad, en dwaling bovenop hun dwaling.

    333 — En mij is verteld op gezag van ʿAmmār ibn al-Ḥasan, hij zei: Ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van al-Rabīʿ: "Allah heeft hun ziekte vermeerderd", hij zei: Allah vermeerderde hun twijfel.

    De uitleg van de uitspraak van Hem, verheven is Zijn lof: وَلَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ ("En voor hen is er een pijnlijke bestraffing")

    Abū Jaʿfar zei: "Alīm" (pijnlijk) is "het pijn veroorzakende" (al-mūjiʿ). En de betekenis ervan is: en voor hen is er een pijn veroorzakende bestraffing (ʿadhāb muʾlim), waarbij "muʾlim" wordt omgevormd tot "alīm". Zoals men zegt: "een pijnlijke (wajīʿ) slag" in de betekenis van "pijn veroorzakend (mūjiʿ)", en والله بَديع السموات والأرض ("Allah is de Voortbrenger (badīʿ) van de hemelen en de aarde") in de betekenis van "voortbrengend (mubdiʿ)". En hiertoe behoort de uitspraak van ʿAmr ibn Maʿdīkarib al-Zubaydī:

    "Houdt de roepende, de horende [verkondiger] van Rayḥāna mij wakker, terwijl mijn metgezellen sluimeren?"

    — in de betekenis van "de doen-horende (al-musmiʿ)". En hiertoe behoort de uitspraak van Dhū al-Rumma:

    "En zij heffen op uit de borsten van fraaie [kamelinnen], hun gezichten weert af een pijnlijke (alīm) gloed."

    Het wordt ook overgeleverd als "yaṣukku" (slaat). En "alīm" is slechts een hoedanigheid van de bestraffing, alsof Hij zei: en voor hen is er een pijn veroorzakende bestraffing. Het is afgeleid van "al-alam" (de pijn), en "al-alam" is de pijn (al-wajaʿ). Zoals —:

    334 — Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd Allāh ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van al-Rabīʿ, hij zei: "Alīm" is "het pijn veroorzakende".

    335 — Yaʿqūb heeft ons verteld, hij zei: Hushaym heeft ons verteld, hij zei: Juwaybir heeft ons bericht, op gezag van al-Ḍaḥḥāk, hij zei: "Alīm" is "het pijn veroorzakende".

    336 — En mij is verteld op gezag van al-Minjāb ibn al-Ḥārith, hij zei: Bishr ibn ʿUmāra heeft ons verteld, op gezag van Abū Rawq, op gezag van al-Ḍaḥḥāk, betreffende Zijn uitspraak "alīm", hij zei: Het is de pijn veroorzakende bestraffing. En alles in de Qurʾān dat van "al-alīm" [is afgeleid], is "het pijn veroorzakende".

    De uitleg van de uitspraak van Hem, verheven is Zijn lof: بِمَا كَانُوا يَكْذِبُونَ (10) ("vanwege wat zij plachten te liegen")

    De reciteurs (qaraʾa) verschilden in de recitatie hiervan. Sommigen van hen lazen het: بِمَا كَانُوا يَكْذِبُونَ met verzachte dhāl en geopende yāʾ ("yakdhibūn" — liegen), en dit is de recitatie van het overgrote deel van de lieden van Kūfa. Anderen lazen het: "yukadhdhibūn" met gesloten yāʾ en verdubbelde dhāl ("zij verloochenen, beschuldigen van leugen"), en dit is de recitatie van het overgrote deel van de lieden van Medina, de Ḥijāz en Baṣra.

    Het is alsof zij die dat lazen met verdubbeling van de dhāl en sluiting van de yāʾ, van mening waren dat Allah, verheven is Zijn lof, de hypocrieten de pijnlijke bestraffing slechts heeft opgelegd vanwege hun verloochening (takdhīb) van Zijn profeet ﷺ en van wat hij heeft gebracht, en dat de leugen, ware er niet de verloochening, voor niemand zelfs het geringste van de bestraffing zou opleggen — hoe dan het pijnlijke daarvan? Maar de zaak is hierin naar mijn mening niet zoals zij zeiden. En dat is omdat Allah, machtig en verheven, aan het begin van het bericht over hen in deze sūra bericht heeft gegeven over de hypocrieten, dat zij liegen met hun bewering van het geloof en hun openlijke vertoon daarvan met hun tongen, als bedrog jegens Allah, machtig en verheven, en jegens Zijn boodschapper en jegens de gelovigen. Hij zei dus: وَمِنَ النَّاسِ مَنْ يَقُولُ آمَنَّا بِاللَّهِ وَبِالْيَوْمِ الآخِرِ وَمَا هُمْ بِمُؤْمِنِينَ * يُخَادِعُونَ اللَّهَ وَالَّذِينَ آمَنُوا ("En onder de mensen zijn er die zeggen: wij geloven in Allah en in de Laatste Dag, terwijl zij geen gelovigen zijn. Zij trachten Allah en hen die geloven te bedriegen") — door dat van hun uitspraak, samen met hun verborgenhouden van de twijfel en de achterdocht. وَمَا يَخْدَعُونَ ("En zij bedriegen") door hun handelen op die wijze إِلا أَنْفُسَهُمْ ("slechts zichzelf"), en niet de boodschapper van Allah ﷺ en de gelovigen; وَمَا يَشْعُرُونَ ("en zij beseffen het niet") — namelijk de plaats van hun bedriegen van zichzelf, en het geleidelijk ten verderve voeren door Allah, machtig en verheven, door hun uitstel te verlenen — فِي قُلُوبِهِمْ ("in hun harten") is de twijfel van de hypocrisie en haar achterdocht. En Allah is Degene die hun twijfel en achterdocht vermeerdert vanwege wat zij plachten te liegen tegen Allah en Zijn boodschapper en de gelovigen met hun uitspraak met hun tongen: "wij geloven in Allah en in de Laatste Dag", terwijl zij in die uitspraak van hen leugenaars zijn, vanwege hun verborgenhouden van de twijfel en de ziekte in de overtuigingen van hun harten aangaande de zaak van Allah en de zaak van Zijn boodschapper ﷺ. Het is dus passender in de wijsheid van Allah, verheven is Zijn majesteit, dat de dreiging van Hem jegens hen betrekking heeft op datgene waarmee het bericht over hen werd geopend van hun schandelijke daden en hun laakbare karaktertrekken, en niet op datgene van hun daden waarvan geen vermelding voorafging. Want alle overige verzen van Zijn neerzending zijn op die wijze neergedaald, namelijk: dat Hij de vermelding van de goede daden van een volk opent, en dat vervolgens afsluit met de dreiging aangaande datgene waarmee de vermelding ervan geopend werd van hun daden; en dat Hij de vermelding van de slechte daden van anderen opent, en dat vervolgens afsluit met de dreiging aangaande datgene waarmee de vermelding ervan begonnen werd van hun daden.

    Zo is dus het juiste van de uitspraak — betreffende de verzen waarin de vermelding van enige van de slechte daden van de hypocrieten geopend werd — dat dit wordt afgesloten met de dreiging aangaande datgene waarmee de vermelding ervan geopend werd van hun schandelijke daden. Zo is dit dus — naast de aanwijzing van het andere vers op de juistheid van wat wij gezegd hebben, en zijn getuigenis dat de verplichte recitatie die is welke wij verkozen hebben, en dat het juiste van de uitleg dat is wat wij hebben uitgelegd, namelijk dat de dreiging van Allah jegens de hypocrieten in dit vers met de pijnlijke bestraffing betrekking heeft op de leugen, die de betekenis van zowel de twijfel als de verloochening omvat. En dat is de uitspraak van Allah, gezegend en verheven is Hij: إِذَا جَاءَكَ الْمُنَافِقُونَ قَالُوا نَشْهَدُ إِنَّكَ لَرَسُولُ اللَّهِ وَاللَّهُ يَعْلَمُ إِنَّكَ لَرَسُولُهُ وَاللَّهُ يَشْهَدُ إِنَّ الْمُنَافِقِينَ لَكَاذِبُونَ * اتَّخَذُوا أَيْمَانَهُمْ جُنَّةً فَصَدُّوا عَنْ سَبِيلِ اللَّهِ إِنَّهُمْ سَاءَ مَا كَانُوا يَعْمَلُونَ ("Wanneer de hypocrieten tot jou komen, zeggen zij: wij getuigen dat jij waarlijk de boodschapper van Allah bent. En Allah weet dat jij waarlijk Zijn boodschapper bent, en Allah getuigt dat de hypocrieten waarlijk leugenaars zijn. Zij hebben hun eden tot een schild genomen en zo afgehouden van de weg van Allah; voorwaar, slecht is wat zij plachten te doen") [Sūrat al-Munāfiqūn: 1, 2]. En het andere vers in [Sūrat] al-Mujādala: اتَّخَذُوا أَيْمَانَهُمْ جُنَّةً فَصَدُّوا عَنْ سَبِيلِ اللَّهِ فَلَهُمْ عَذَابٌ مُهِينٌ ("Zij hebben hun eden tot een schild genomen en zo afgehouden van de weg van Allah; voor hen is er dus een vernederende bestraffing") [Sūrat al-Mujādala: 16]. Hij, verheven is Zijn lof, berichtte dus dat de hypocrieten — met hun uitspraak van wat zij tot de boodschapper van Allah ﷺ zeiden, samen met hun overtuiging aangaande hem van datgene wat zij geloven — leugenaars zijn. Vervolgens berichtte Hij, verheven is Zijn gedachtenis, dat de vernederende bestraffing voor hen is, vanwege dat van hun leugen. En als de juiste recitatie zou zijn zoals de reciteurs het in Sūrat al-Baqara lazen: "en voor hen is er een pijnlijke bestraffing vanwege wat zij plachten te verloochenen (yukadhdhibūn)", dan zou de recitatie in de andere sūra zijn: "en Allah getuigt dat de hypocrieten waarlijk verloochenaars (mukadhdhibūn) zijn", opdat de dreiging jegens hen, die onmiddellijk daarop volgt, een dreiging zou zijn vanwege de verloochening en niet vanwege de leugen. En in de eensgezindheid van de moslims dat het juiste van de recitatie in Zijn uitspraak وَاللَّهُ يَشْهَدُ إِنَّ الْمُنَافِقِينَ لَكَاذِبُونَ ("En Allah getuigt dat de hypocrieten waarlijk leugenaars zijn") in de betekenis van de leugen is — en dat de bedreiging door Allah, gezegend en verheven is Hij, daarin van de hypocrieten met de pijnlijke bestraffing betrekking heeft op dat van hun leugen — ligt de duidelijkste aanwijzing dat het juiste van de recitatie in Sūrat al-Baqara is: "vanwege wat zij plachten te liegen (yakdhibūn)" in de betekenis van de leugen, en dat de dreiging van Allah, verheven is Zijn gedachtenis, jegens de hypocrieten daarin betrekking heeft op de leugen — een waarheid — en niet op de verloochening waarvan geen vermelding voorafging — precies gelijk aan dat wat in Sūrat al-Munāfiqūn staat.

    En sommige grammatici van Baṣra hebben beweerd dat de "mā" in de uitspraak van Allah, gezegend is Zijn naam, "bimā kānū yakdhibūn", een naamwoord (ism) is voor het verbaalzelfstandig naamwoord (maṣdar), net zoals "an" en "het werkwoord" beide naamwoorden zijn voor het verbaalzelfstandig naamwoord in jouw uitspraak "ik houd ervan dat jij tot mij komt" (an taʾtiyanī), en dat de betekenis slechts is: vanwege hun liegen en hun verloochenen. Hij zei: En "kāna" werd ingevoegd om te berichten dat het in het verleden plaatsvond, zoals men zegt: "hoe goed was ʿAbd Allāh" (mā aḥsana mā kāna ʿAbd Allāh), terwijl jij je verwondert over ʿAbd Allāh, niet over zijn bestaan; maar de verwondering valt in de bewoording op zijn bestaan (kawnihi). En sommige grammatici van Kūfa verwierpen dat van zijn uitspraak en rekenden het hem als een fout aan, en zeiden: "Kāna" wordt in de verwondering [grammaticaal] buiten werking gesteld, omdat het werkwoord eraan voorafgaat, alsof hij zei: "ḥasanan kāna Zayd" en "ḥasan kāna Zayd" — dat stelt "kāna" buiten werking, en het [naamwoord] werkt grammaticaal met de naamwoorden en de hoedanigheden die de bewoording van naamwoorden hebben, wanneer zij vóór "kāna" komen en "kāna" tussen hen en de naamwoorden valt. Wat de reden betreft voor het buiten werking stellen ervan wanneer het in deze toestand buiten werking wordt gesteld: dat is vanwege de gelijkenis van de hoedanigheden en de naamwoorden met "faʿala" (hij deed) en "yafʿalu" (hij doet), waarin de grammaticale werking van "kāna" niet zichtbaar wordt. Zie je niet dat jij zegt: "yaqūmu kāna Zayd", en de werking van "kāna" wordt in "yaqūmu" niet zichtbaar, en evenzo "qāma kāna Zayd"? Daarom werd haar werking buiten werking gesteld bij "fāʿil" (handelend naamwoord), bij wijze van vergelijking met "faʿala" en "yafʿalu", en zij werd soms wel werkzaam gesteld bij "fāʿil" omdat het een naamwoord is, zoals zij werkzaam is bij de naamwoorden. Maar wanneer "kāna" voorafgaat aan de naamwoorden en de werkwoorden, en het naamwoord en het werkwoord erna komen, dan is het naar zijn mening een fout dat "kāna" buiten werking gesteld zou zijn. Daarom verwierp hij de uitspraak van de Baṣriër die wij overgeleverd hebben, en legde hij de uitspraak van Allah, machtig en verheven, "bimā kānū yakdhibūn" zo uit dat het de betekenis heeft: "datgene wat zij liegen".

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله جل ثناؤه: فِي قُلُوبِهِمْ مَرَضٌ قال أبو جعفر: وأصل المرَض: السَّقم, ثم يقال ذلك في الأجساد والأديان. فأخبر الله جلّ ثناؤه أن في قلوب المنافقين مَرَضًا، وإنما عنى تبارك وتعالى بخبره &; 1-279 &; عن مرض قلوبهم، الخبرَ عن مرض ما في قلوبهم من الاعتقاد = ولكن لمّا كان معلومًا بالخبَر عن مرض القلب، أنَّه معنىٌّ به مرضُ ما هم معتقدُوه من الاعتقاد -استغنى بالخبَر عن القلب بذلك = والكفاية عن تصريح الخبَر عن ضمائرهم واعتقاداتهم (59) كما قال عُمر بن لَجَأ: وَسَـــبَّحَتِ الْمَدِينَــةُ, لا تَلُمْهَــا, رَأَتْ قَمَـــرًا بِسُـــوقِهِمُ نَهَــارَا (60) يريد: وسبَّح أهل المدينة، فاستغنى بمعرفة السامعين خَبَرَه بالخبَرِ عن المدينة، عن الخبر عن أهلها. ومثله قول عنترة العبسي: هَـلا سَـأَلتِ الْخَـيْلَ يَـا ابْنَـةَ مَالِكٍ? إنْ كُــنْتِ جَاهِلَـةً بِمَـا لَـمْ تَعْلَمِـي (61) يريد: هلا سألتِ أصحاب الخيل؟ ومنه قولهم: " يا خَيْلَ الله اركبي", يراد: يا أصحاب خيل الله اركبوا. والشواهد على ذلك أكثر من أن يُحصيها كتاب, وفيما ذكرنا كفاية لمن وُفِّق لفهمه. فكذلك معنى قول الله جل ثناؤه: ( فِي قُلُوبِهِمْ مَرَضٌ ) إنما يعني: في اعتقاد قلوبهم الذي يعتقدونه في الدين، والتصديق بمحمد صلى الله عليه وسلم, وبما جاء به من عند الله - مَرَض وسُقْم. فاجتزأ بدلالة الخبَر عن قلوبهم على معناه، عن تصريح الخبر عن اعتقادهم. والمرضُ الذي ذكر الله جل ثناؤه أنّه في اعتقاد قلوبهم الذي وصفناه: هو شكُّهم في أمر محمد وما جاء به من عند الله، وتحيُّرُهم فيه, فلا هم به موقنون إيقان إيمان, ولا هم له منكرون إنكارَ إشراك، ولكنهم، كما وصفهم الله عز وجل، مُذَبْذَبُونَ بين ذلك لا إلى هؤلاء ولا إلى هؤلاء (62) كما يقال: فلانٌ يمَرِّضُ في هذا الأمر, أي يُضَعِّف العزمَ ولا يصحِّح الروِيَّة فيه. وبمثل الذي قلنا في تأويل ذلك، تَظاهر القول في تفسيره من المفسِّرين. * ذكر من قال ذلك: 322- حدثنا محمد بن حميد, قال: حدثنا سلمة, عن محمد بن إسحاق, عن محمد بن أبي محمد مولى زيد بن ثابت، عن عكرمة, أو عن سعيد بن جبير, عن ابن عباس: " في قلوبهم مرضٌ"، أي شكٌّ. 323- وحدِّثت عن المِنْجَاب, قال: حدثنا بشر بن عُمارة, عن أبي رَوْق، عن الضحاك, عن ابن عباس, قال: المرض: النفاق. 324- حُدثني موسى بن هارون, قال: حدثنا عمرو بن حماد, قال: حدثنا أسباط، عن السُّدّيّ في خبر ذكره، عن أبي مالك, وعن أبي صالح, عن ابن عباس - وعن مُرّة الهمداني، عن ابن مسعود, وعن ناس من أصحاب النبي صلى الله عليه وسلم: " في قلوبهم مرضٌ" يقول: في قلوبهم شكّ. 325- حُدثني يونس بن عبد الأعلى, قال: أخبرنا ابن وهب, قال: قال عبد الرحمن بن زيد، في قوله: " في قلوبهم مَرَضٌ"، قال: هذا مرض في الدِّين، وليس مَرَضًا في الأجساد، قال: وهم المنافقون. 326- حدثني المثنَّى بن إبراهيم، قال: حدثنا سُوَيْد بن نصر, قال: أخبرنا ابنُ المبارك قراءةً، عن سعيد، عن قتادة، في قوله " في قلوبهم مَرَض " قال: في قلوبهم رِيبَة وشك في أمر الله جل ثناؤه. 327- وحدِّثت عن عمّار بن الحسن, قال: حدثنا ابن أبي جعفر, عن أبيه, عن الربيع بن أنس: " في قلوبهم مَرَضٌ" قال: هؤلاء أهلُ النفاق, والمرضُ الذي في قلوبهم: الشك في أمر الله تعالى ذكره. 328- حدثني يونس, قال: أخبرنا ابن وهب, قال: قال عبد الرحمن بن زيد: وَمِنَ النَّاسِ مَنْ يَقُولُ آمَنَّا بِاللَّهِ وَبِالْيَوْمِ الآخِرِ حتى بلغ ( فِي قُلُوبِهِمْ مَرَضٌ ) قال: المرض: الشكّ الذي دخلهم في الإسلام (63) . القول في تأويل قوله جل ثناؤه: فَزَادَهُمُ اللَّهُ مَرَضًا قد دللنا آنفًا على أن تأويل المرض الذي وصَف الله جل ثناؤه أنه في قلوب المنافقين، هو الشكُّ في اعتقادات قلوبهم وأديانهم، وما هم عليه - في أمر محمد رسول الله صلى الله عليه وسلم، وأمر نبوته وما جاء به - مقيمون. فالمرض الذي أخبرَ الله جل ثناؤه عنهم أنَّه زادهم على مرضهم، نظيرُ ما كان في قلوبهم من الشَّكِّ والحيْرة قبل الزيادة, فزادهم الله بما أحدث من حدوده وفرائضِه - التي لم يكن فرضَها قبلَ الزيادة التي زادها المنافقين - من الشك والحيرة، إذْ شكُّوا وارتَابوا في الذي أحدَث لهم من ذلك - (64) إلى المرض والشك الذي كان في قلوبهم في السَّالف، من حدوده وفرائضه التي كان فَرَضها قبل ذلك. كما زاد المؤمنين به إلى إيمانهم الذي كانوا عليه قبل ذلك، بالذي أحدث لهم من الفرائض والحدود إذْ آمنوا به، إلى إيمانهم بالسالف من حُدُوده وفرائضه - إيمانًا. كالذي قال جل ثناؤه في تنـزيله: وَإِذَا مَا أُنْـزِلَتْ سُورَةٌ فَمِنْهُمْ مَنْ يَقُولُ أَيُّكُمْ زَادَتْهُ هَذِهِ إِيمَانًا فَأَمَّا الَّذِينَ آمَنُوا فَزَادَتْهُمْ إِيمَانًا وَهُمْ يَسْتَبْشِرُونَ * وَأَمَّا الَّذِينَ فِي قُلُوبِهِمْ مَرَضٌ فَزَادَتْهُمْ رِجْسًا إِلَى رِجْسِهِمْ وَمَاتُوا وَهُمْ كَافِرُونَ [سورة التوبة: 124، 125]. فالزيادة التي زِيدَها المنافقون من الرَّجاسة إلى رَجاستهم، هو ما وصفنا. والتي زِيدَها المؤمنون إلى إيمانهم، هو ما بيَّنا. وذلك هو التأويل المجمَعُ عليه. ذكرُ بعض من قال ذلك من أهل التأويل: 329- حدثنا ابن حميد, قال: حدثنا سلمة, عن محمد بن إسحاق، عن محمد بن أبي محمد مولى زيد بن ثابت، عن عكرمة, أو عن سعيد بن جبير, عن ابن عباس: " فزادهم الله مَرَضًا "، قال: شكًّا. 330- حدثني موسى بن هارون, قال: أخبرنا عمرو بن حماد, قال: حدثنا أسباط، عن السُّدِّيّ، في خبر ذكره، عن أبي مالك, وعن أبي صالح, عن ابن عباس - وعن مُرَّة الهمداني، عن ابن مسعود, وعن ناس من أصحاب النبي صلى الله عليه وسلم: " فزادَهُم الله مَرَضًا "، يقول: فزادهم الله رِيبَة وشكًّا. 331- حدثني المثنى بن إبراهيم, قال: حدثنا سُوَيْد بن نصر, قال: أخبرتا ابن المبارك قراءةً، عن سعيد، عن قتادة: " فزادهم الله مرضًا "، يقول: فزادهم الله ريبةً وشكًّا في أمْر الله. 332- حدثني يونس, قال: أخبرنا ابن وهب, قال: قال ابن زيد، في قول الله: " في قلوبهم مَرَضٌ فزادهم الله مَرَضًا "، قال: زادهم رِجْسًا، وقرأ قول الله عز وجل: فَأَمَّا الَّذِينَ آمَنُوا فَزَادَتْهُمْ إِيمَانًا وَهُمْ يَسْتَبْشِرُونَ * وَأَمَّا الَّذِينَ فِي قُلُوبِهِمْ مَرَضٌ فَزَادَتْهُمْ رِجْسًا إِلَى رِجْسِهِمْ قال: شرًّا إلى شرِّهم, وضلالةً إلى ضلالتهم. 333- وحدِّثت عن عمّار بن الحسن, قال: حدثنا ابن أبي جعفر, عن أبيه, عن الربيع: " فزادهم الله مَرَضًا "، قال: زادهم الله شكًّا (65) . القول في تأويل قوله جل ثناؤه: وَلَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ قال أبو جعفر: والأليم: هو المُوجعُ. ومعناه: ولهم عذاب مؤلم. بصرفِ" مؤلم " إلى " أليم " (66) ، كما يقال: ضَرْبٌ وجيعُ بمعنى مُوجع, والله بَديع السموات والأرض، بمعنى مُبْدِع. ومنه قول عمرو بن معد يكرب الزبيدي: أَمِــنْ رَيْحَانَــةَ الــدَّاعي السَّـمِيعُ يُـــؤَرِّقنُي وأَصْحَــابِي هُجُــوعُ (67) بمعنى المُسْمِع. ومنه قول ذي الرمة: وَتَــرْفَعُ مِــنْ صُـدُورِ شَـمَرْدَلاتٍ يَصُــدُّ وُجُوهَهَــا وَهَــجُ أَلِيــمُ (68) ويروى " يَصُكُّ", وإنما الأليم صفةٌ للعذاب, كأنه قال: ولهم عذاب مؤلم. وهو مأخوذ من الألم, والألم: الوَجَعُ. كما-: 334- حدثني المثنى, قال: حدثنا إسحاق, قال: حدثنا عبد الله بن أبي جعفر، عن أبيه، عن الربيع, قال: الأليم، المُوجع. 335- حدثنا يعقوب, قال: حدثنا هُشيم, قال: أخبرنا جُوَيْبر, عن الضحاك قال: الأليمُ, الموجع (69) . 336- وحدِّثت عن المِنْجاب بن الحارث, قال: حدثنا بشْر بن عُمارة, عن أبي رَوْق, عن الضحاك في قوله " أليم "، قال: هو العذاب المُوجع. وكل شيء في القرآن من الأليم فهو الموجع (70) . القول في تأويل قوله جل ثناؤه: بِمَا كَانُوا يَكْذِبُونَ (10) اختلفت القَرَأة في قراءة ذلك (71) فقرأه بعضهم: ( بِمَا كَانُوا يَكْذِبُونَ ) مُخَفَّفة الذَّال مفتوحة الياء, وهي قراءة عُظْم أهل الكوفة. وقرأه آخرون: " يُكَذِّبُونَ" بضم الياء وتشديد الذال, وهي قراءة عُظْم أهل المدينة والحجاز والبصرة (72) . وكأنّ الذين قرءوا ذلك، بتشديد الذال وضم الياء، رأوا أن الله جل ثناؤه إنما أوجب للمنافقين العذابَ الأليم بتكذيبهم نبيَّه صلى الله عليه وسلم وبما جاء به, وأن الكذِبَ لولا التكذيبُ لا يُوجب لأحدٍ اليَسير من العذاب, فكيف بالأليم منه؟ وليس الأمر في ذلك عندي كالذي قالوا. وذلك: أنّ الله عز وجل أنبأ عن المنافقين في أول النبأ عنهم في هذه السورة، بأنهم يَكذِبون بدَعْواهم الإيمانَ، وإظهارهم ذلك بألسنتهم، خِداعًا لله عز وجلّ ولرسوله وللمؤمنين, فقال: وَمِنَ النَّاسِ مَنْ يَقُولُ آمَنَّا بِاللَّهِ وَبِالْيَوْمِ الآخِرِ وَمَا هُمْ بِمُؤْمِنِينَ * يُخَادِعُونَ اللَّهَ وَالَّذِينَ آمَنُوا &; 1-285 &; بذلك من قيلهم، مع استسرارهم الشكَّ والريبة, وَمَا يَخْدَعُونَ بصنيعهم ذلك إِلا أَنْفُسَهُمْ دون رسول الله صلى الله عليه وسلم والمؤمنين؛ وَمَا يَشْعُرُونَ بموضع خديعتهم أنفسَهم، واستدراج الله عز وجل إيّاهم بإملائه لهم، فِي قُلُوبِهِمْ شك النفاق وريبَتُه (73) والله زائدهم شكًّا وريبة بما كانوا يَكذِبون الله ورسوله والمؤمنين بقَوْلهم بألسنتهم آمنَّا بالله وباليوم الآخر، وهم في قيلهم ذلك كَذَبة، لاستسرارهم الشَّكَّ والمرض في اعتقادات قلوبهم في أمر الله وأمر رسوله صلى الله عليه وسلم. فأولى في حكمة الله جل جلاله، أن يكون الوعيد منه لهم على ما افتتح به الخبَر عنهم من قبيح أفعالهم وذميم أخلاقهم, دون ما لم يَجْرِ له ذكر من أفعالهم. إذْ كان سائرُ آيات تنـزيله بذلك نـزل، وهو: أن يَفتتِح ذكر محاسن أفعالِ قومٍ، ثم يختم ذلك بالوعيد على ما افتتح به ذِكره من أفعالهم, ويفتتح ذِكْر مساوي أفعالِ آخرين، ثم يختم ذلك بالوعيدِ على ما ابتدأ به ذكرَه من أفعالهم. فكذلك الصحيح من القول - في الآيات التي افتتح فيها ذِكر بعض مساوى أفعال المنافقين - أنْ يختم ذلك بالوعيد على ما افتتح به ذِكرَه من قبائح أفعالهم. فهذا هذا (74) ، مع دلالة الآية الأخرى على صحة ما قلنا، وشهادتِها بأن الواجب من القراءة ما اخترنا, وأنّ الصواب من التأويل ما تأوّلنا، من أنّ وعيد الله المنافقين في هذه الآية العذابَ الأليمَ على الكذب الجامع معنى الشكّ والتكذيب, وذلك قولُ الله تبارك وتعالى: إِذَا جَاءَكَ الْمُنَافِقُونَ قَالُوا نَشْهَدُ إِنَّكَ لَرَسُولُ اللَّهِ وَاللَّهُ يَعْلَمُ إِنَّكَ لَرَسُولُهُ وَاللَّهُ يَشْهَدُ إِنَّ الْمُنَافِقِينَ لَكَاذِبُونَ * اتَّخَذُوا أَيْمَانَهُمْ جُنَّةً فَصَدُّوا عَنْ سَبِيلِ اللَّهِ إِنَّهُمْ سَاءَ مَا كَانُوا يَعْمَلُونَ [سورة المنافقون: 1، 2]. والآية &; 1-286 &; الأخرى في المجادلة: اتَّخَذُوا أَيْمَانَهُمْ جُنَّةً فَصَدُّوا عَنْ سَبِيلِ اللَّهِ فَلَهُمْ عَذَابٌ مُهِينٌ [سورة المجادلة: 16]. فأخبر جل ثناؤه أنّ المنافقين - بقيلهم ما قالوا لرسول الله صلى الله عليه وسلم, مع اعتقادهم فيه ما هم معتقدون - كاذبون. ثم أخبر تعالى ذكره أنّ العذاب المُهينَ لهم، على ذلك من كذبهم. ولو كان الصحيح من القراءة على ما قرأه القارِئون في سورة البقرة: " ولهم عذاب أليم بما كانوا يُكَذِّبون " لكانت القراءةُ في السورة الأخرى: وَاللَّهُ يَشْهَدُ إِنَّ الْمُنَافِقِينَ لمكذِّبون, ليكون الوعيدُ لهم الذي هو عَقِيب ذلك وعيدًا على التكذيب لا على الكذب. وفي إجماع المسلمين على أنّ الصواب من القراءة في قوله: وَاللَّهُ يَشْهَدُ إِنَّ الْمُنَافِقِينَ لَكَاذِبُونَ بمعنى الكذب - وأن إيعاد الله تبارك وتعالى فيه المنافقين العذابَ الأليمَ على ذلك من كذبهم - أوضحُ الدّلالة على أن الصحيح من القراءة في سورة البقرة: " بما كانوا يَكْذِبون " بمعنى الكذِب, وأن الوعيدَ من الله تعالى ذِكره للمنافقين فيها على الكذب - حقٌّ - لا على التكذيب الذي لم يجر له ذِكر - نظيرَ الذي في سورة المنافقين سواءً. وقد زعم بعضُ نحويِّي البصرة أن " ما " من قول الله تبارك اسمه " بما كانوا يكذبون "، اسم للمصدر, كما أنّ" أنْ" و " الفعل " اسمان للمصدر في قولك: أحب أن تَأتيني, وأن المعنى إنما هو بكَذبِهم وتَكْذِيبهم. قال: وأدخل " كان " ليخبر أنه كان فيما مضى, كما يقال: ما أحسن ما كان عبدُ الله، فأنت تعجَبُ من عبد الله لا من كونه, وإنما وَقع التعجُّب في اللفظ على كوْنه. وكان بعض نحويِّي الكوفة يُنكر ذلك من قوله ويستخطئه، ويقول: إنما ألغِيَت " كان " في التعجُّب، لأن الفعل قد تقدَّمها, فكأنه قال: " حَسَنًا كان زيد " و " حَسَن كان زَيْدٌ" يُبْطِلُ" كان ", ويُعْمِل مع الأسماء والصِّفات التي بألفاظِ الأسماء، إذا جاءت قبل " كان "، ووقعت " كان " بينها وبين الأسماء. وأما العِلَّة في إبطالها إذا أبطِلت في هذه الحال، فَلِشَبَهِ الصِّفات والأسماء بـ " فعل " و " يفعل " اللتين لا يظهرُ عمل &; 1-287 &; " كان " فيهما. ألا ترى أنك تقول: " يقوم كان زيد ", ولا يظهر عمل " كان " في" يقوم ", وكذلك " قام كان زيد ". فلذلك أبطل عملها مع " فاعل " تمثيلا بـ " فعل " و " يفعل ", وأعملت مع " فاعل " أحيانًا لأنه اسم، كما تعمل في الأسماء. فأما إذا تقدمت " كان " الأسماءَ والأفعالَ، وكان الاسم والفِعْلُ بعدها, فخطأ عنده أن تكون " كان " مبطلة. فلذلك أحال قول البصريّ الذي حكيناه, وتأوّل قول الله عز وجل " بما كانوا يكذبون " أنه بمعنى: الذي يكذبونه. ----------------- الهوامش : (59) في المطبوعة : "والكناية عن تصريح الخبر . . . " ، وقوله : "والكفاية عن تصريح الخبر . . . " معطوف على قوله"الخبر عن مرض ما في قلوبهم . . . " (60) يأتي البيت في تفسير آية البقرة : 110 (1 : 391 بولاق) . (61) في معلقته المشهورة . (62) تضمين آية سورة النساء : 143 . (63) الأخبار : 322 - 328 ، نقلها ابن كثير 1 : 88 ، والسيوطي 1 : 30 ، والشوكاني 1 : 30 - مع تتمتها الآتية في تفسير بقية الآية ، بالأرقام : 329 ، 336 ، 330 ، 332 ، 331 ، 333 - على هذا التوالي . ولكن 336 لم يذكر فيه"عن ابن عباس" . و"المنجاب" في 323 ، 336 : هو ابن الحارث بن عبد الرحمن التميمي ، من شيوخ مسلم ، روى عنه في صحيحه ، وذكره ابن حبان في الثقات ، وهو بكسر الميم وسكون النون وفتح الجيم وآخره باء موحدة . (64) سياق العبارة : "فزادهم الله بما أحدث من حدوده . . . من الشك والحيرة . . . إلى المرض والشك الذي كان في قلوبهم . . . " . (65) الأخبار : 329 - 333 : هي تمام الآثار السالفة : 322 - 328 . (66) في المطبوعة : "فصرف مؤلم . . " . (67) الأصمعيات : 43 ، ويأتي في تفسير آية سورة يونس : 1 (11 : 58 بولاق) . وريحانة : هي بنت معديكرب ، أخت عمرو بن معديكرب ، وهي أم دريد بن الصمة ، وكان أبوه الصمة ، سباها وتزوجها . (الأغاني 10 : 4) . (68) ديوانه : 592 . وقوله"ونرفع من صدور . . " أي نستحثها في السير ، والإبل إذا أسرعت رفعت من صدورها . وشمردلات جمع شمردلة : وهي الناقة الحسنة الجميلة الخلق الفتية السريعة . وقوله"يصد وجوهها" أي يستقبل وجوهها ويضربها وهج أليم ، فتصد وجوهها أي تلويها كالمعرضة عن لذعته . ورواية ديوانه : "يصك" ، وصكة صكة : ضربة ضربة شديدة . والوهج : حرارة الشمس ، أو حرارة النار من بعيد . (69) الأثر 335- يعقوب : هو ابن إبراهيم الدورقي الحافظ . هشيم - بضم الهاء : هو ابن بشير ، بفتح الباء وكسر الشين المعجمة ، بن القاسم ، أبو معاوية الواسطي ، إمام حافظ كبير ، روى عنه الأئمة : أحمد وابن المديني وغيرهما ، وقال عبد الرحمن بن مهدي : "كان هشيم أحفظ للحديث من سفيان الثوري" . ومعنى هذا الأثر مضمن في الذي بعده : 336 . (70) الأثر 336- ذكره السيوطي 1 : 30 . وأشار إليه الشوكاني 1 : 30 . (71) في المطبوعة : "اختلفت القراء" ، والقَرَأَة : جمع قارئ ، وانظر ما مضى ، 51 تعليق ، وص 64 تعليق : 4 ، وص 109 تعليق : 1 . (72) في المطبوعة : "قراءة معظم أهل الكوفة" ، و"قراءة معظم أهل المدينة . . . " ، وعظم الناس : معظمهم وأكثرهم . وانظر التعليق السالف ، ثم ص 109 تعليق : 1 . (73) في المطبوعة : "في قلوبهم شك ، أي نفاق وريبة" . والذي في المخطوطة أصح . (74) في المطبوعة : "فهذا مع دلالة الآية الأخرى . . " ، ولم يأت في الجملة خبر قوله"فهذا" ، والذي في المخطوطة هو الصواب .