Tafseer van De Nachtreis · Al-Israa · 17:94
En er was niets dat de mensen verhinderde te geloven tm de Leiding tot hen kwam, behalve dat zij zeiden: "Heeft Allah een menselijke Boodschapper neergezonden?"
Allah, verheven zij Zijn gedachtenis, zegt: Wat heeft de polytheïsten (mushrikīn) van uw volk, o Muḥammad, ervan weerhouden te geloven in Allah en in hetgeen u hun als de waarheid hebt gebracht, wanneer de leiding tot hen is gekomen — dat wil zeggen: toen de verklaring van de kant van Allah tot hen was gekomen over de werkelijkheid van waartoe u hen uitnodigt en de geldigheid van hetgeen u hun hebt gebracht — niets dan hun uitspraak, voortkomend uit hun onwetendheid: Heeft Allah een mens als boodschapper gezonden? — De eerste [instantie van "dat"] staat in de positie van accusatief doordat het object is van "heeft weerhouden", en de tweede staat in de positie van nominatief omdat de werkzaamheid ervan toekomt aan de werkwoord zelf.