Tafseer van Ibraahiem (Abraham) · Ibrahim · 14:50
Hun kleding zal van toer zijn en de Hel zal hun gezichten bedekken.
De Verhevene — verheven zij Zijn roem — zegt: en de ongelovigen in Allah, die in het wereldse leven het toekennen van deelgenoten aan Allah (shirk) hebben bedreven, zullen op die dag — dat wil zeggen: de dag waarop de aarde veranderd wordt in een andere aarde en de hemelen — elkaar aanschouwen terwijl zij مُقَرَّنِينَ فِي الْأَصْفَادِ: aan elkaar geketend zijn, hun handen en voeten aan hun halzen gebonden met de aṣfād, dat zijn de boeien in de vorm van ijzeren halsbanden en kettingen. Het enkelvoud ervan is ṣafad; men zegt: ṣafadtuhu fi-l-ṣafad ṣafdan wa-ṣifādan (ik heb hem in de boei geboeid). De ṣifād is de ketting. Hiervan is het woord van ʿAmr ibn Kulthūm:
"Zij keerden terug met de buit en de krijgsgevangenen/en wij keerden terug met de koningen, in boeien geslagen."
Wie het enkelvoud als ṣifād beschouwt, vormt het meervoud als ṣufud, niet aṣfād. Wat betreft de betekenis "gave, geschenk" — dan zegt men: aṣfadtuhu iṣfādan (ik beschonk hem), zoals al-Aʿshā zei:
"Ik bezocht hem op een dag en hij eerde mijn zitting/en beschonk mij bij de gelegenheid van zwakheid met een gids."
Voor de betekenis "geschenk" is ook gezegd: ṣafadanī ṣafdan, zoals al-Nābigha al-Dhubyānī zei:
"Dit is de lof — als jij zijn zegger hoort/heb ik je niet blootgesteld aan het geschenk."
In overeenstemming met wat wij zeiden betreffende de betekenis van مُقَرَّنِينَ فِي الْأَصْفَادِ spraken de exegeten.
Vermelding van wie dat zei:
Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd Allāh ibn Ṣāliḥ heeft mij verteld, hij zei: Muʿāwiya heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī, op gezag van Ibn ʿAbbās, betreffende مُقَرَّنِينَ فِي الْأَصْفَادِ: hij zei: in boeien.
Muḥammad ibn ʿĪsā al-Dāmighānī heeft mij verteld, hij zei: Ibn al-Mubārak heeft ons verteld, op gezag van Juwaybir, op gezag van al-Ḍaḥḥāk: hij zei: de aṣfād zijn de kettingen.
Muḥammad ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft ons verteld, hij zei: Muḥammad ibn Thawr heeft ons verteld, op gezag van Maʿmar, op gezag van Qatāda, betreffende مُقَرَّنِينَ فِي الْأَصْفَادِ: hij zei: aan elkaar geketend in ketens en halsbanden.
Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: ʿAlī ibn Hāshim ibn al-Barīd heeft ons verteld, hij zei: ik hoorde al-Aʿmash zeggen: de ṣafad is de ketting.
Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei betreffende مُقَرَّنِينَ فِي الْأَصْفَادِ: hij zei: hun handen, voeten en halzen zijn daarin geboeid; de aṣfād zijn de halsbanden.
Zijn woord سَرَابِيلُهُم مِّن قَطِرَانٍ: hun hemden die zij dragen, het enkelvoud waarvan sarābīl is, zoals Imruʾ al-Qays zei:
"Een speelse vrouw die mij doet vergeten, wanneer ik opsta, mijn hemd."