Tafseer van Yoesoef (Jozef) · Yusuf · 12:104
En jij (O Moehammad) vraagt van hen daarvoor geen beloning, hij (de Koran) is slechts een Vermaning voor de werelden.
De uitleg van het woord van Allah, de Verhevene: وَمَا تَسْأَلُهُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ إِنْ هُوَ إِلا ذِكْرٌ لِلْعَالَمِينَ (104)
Abū Jaʿfar zei: de Verhevene zegt tot Muḥammad ﷺ: en jij vraagt, o Muḥammad, aan hen die jouw profeetschap verwerpen en weigeren jou te bevestigen en te aanvaarden wat jij hen van jouw Heer hebt gebracht, voor wat jij hen oproept — namelijk de oprechte aanbidding van jouw Heer, het verlaten van de verering van afgodsbeelden en de gehoorzaamheid aan de Barmhartige — من أجر — dat wil zeggen: geen beloning noch vergoeding van hen; jouw beloning en de vergoeding voor jouw werk berusten veeleer bij Allah. Hij zegt: jij vraagt hun daarvoor geen beloning, zodat zij tot jou zeggen: jij wil door ons op te roepen jou te volgen slechts van ons vermogen verkrijgen wanneer jij ons dat vraagt. En aangezien jij hun dat niet vraagt, was het hun plicht te weten dat jij hen slechts oproept tot wat jij hen oproept uit volgzaamheid aan het bevel van jouw Heer en welgemeende raadgeving aan hen, en dat zij niet aan jou mogen twijfelen.
Wat Zijn woord betreft: إن هو إلا ذكر للعالمين — de Verhevene zegt: dit wat jouw Heer jou mee heeft gezonden, o Muḥammad, van de profeetschap en het gezantschap إلا ذكر — Hij zegt: is slechts een vermaning en herinnering voor de mensen, opdat zij zich daardoor laten vermanen en herinneren.