Tafseer van Hoed · Hud · 11:16
Zij zijn degenen voor wie er in het lliernamaals niets dan de Hel is, en vruchteloos is wat zij daarin (op aarde) verrichtten. En wat zij plachten te doen is verloren gegaan.
De uiteenzetting van de uitleg van de woorden van de Verhevene: أُولَئِكَ الَّذِينَ لَيْسَ لَهُمْ فِي الْآخِرَةِ إِلَّا النَّارُ وَحَبِطَ مَا صَنَعُوا فِيهَا وَبَاطِلٌ مَا كَانُوا يَعْمَلُونَ (Zij zijn degenen voor wie in het Hiernamaals niets is behalve het Vuur, en teniet is gegaan wat zij daarin verrichtten, en nietig is wat zij plachten te doen.) (16)
Abū Jaʿfar zei: De Verhevene — lof zij Hem — zegt: Deze mensen, van wie Ik heb vermeld dat Wij hun de beloningen van hun daden in het wereldse leven volledig uitbetalen, voor hen is in het Hiernamaals niets behalve het Vuur — zij zullen daarin branden. En وَحَبِطَ مَا صَنَعُوا فِيهَا — dat wil zeggen: teniet is gegaan wat zij in het wereldse leven verricht hebben — en وَبَاطِلٌ مَا كَانُوا يَعْمَلُونَ — omdat zij werkten voor een ander dan Allah; Allah heeft dat nietig verklaard en heeft de loon van degene die het verrichtte tenietgedaan.