Tafseer van De Tijding · An-Naba · 78:6
Hebben Wij de aarde niet tot een uitgespreide plaats gemaakt?
Het woord over de uitleg van de uitspraak van de Verhevene: "Hebben Wij de aarde niet tot een rustbed gemaakt?" (78:6).
De Verhevene — Zijn vermelding zij geprezen — somt aan deze polytheïsten (mushrikīn) Zijn gunsten en weldaden jegens hen op, en Zijn goedheid aan hen, alsook hun ondankbaarheid voor wat Hij hun heeft geschonken, en Hij dreigt hen met wat Hij voor hen heeft klaargelegd wanneer zij bij Hem aankomen: de verscheidene soorten van Zijn bestraffing en Zijn pijnlijke kwelling (ʿadhāb). Zo zei Hij tot hen: "Hebben Wij de aarde niet" voor jullie "tot een rustbed gemaakt", waarop jullie je kunnen uitstrekken en die jullie als bedding gebruiken.
Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Mihrān heeft ons verteld, op gezag van Saʿīd, op gezag van Qatāda: "Hebben Wij de aarde niet tot een rustbed gemaakt?" — dat wil zeggen: tot een uitgespreid tapijt.