Tafseer van De Vrijdag · Al-Jumu'a · 62:1
Wat er in de hemelen en op de aarde is prijst de Glorie van Allah de Heerser, de Heilige, de Almachtige, de Alwijze.
Hij, verheven zij Zijn vermelding, zegt: alles wat in de zeven hemelen is verheerlijkt Allah, en alles wat in de aarden is van Zijn schepping, en verheft Hem gewillig en ongewillig. الْمَلِكِ الْقُدُّوسِ ("de Koning, de Allerheiligste") — Degene aan wie het koningschap van deze wereld en het hiernamaals en de heerschappij over beide toebehoort, wiens gebod uitwerking heeft in de hemelen en de aarde en wat daarin is; de Allerheiligste: dat is de Reine, gevrijwaard van al wat de polytheïsten (mushrikīn) aan Hem toeschrijven en waarmee zij Hem beschrijven van wat niet tot Zijn eigenschappen behoort, de Gezegende. الْعَزِيزِ ("de Almachtige") — Hij bedoelt de Strenge in Zijn vergelding aan Zijn vijanden. الْحَكِيم ("de Alwijze") in Zijn beschikking over Zijn schepping en Zijn besturen van hen in wat Hij het best kent van hun belangen.