Tabari
Terug naar surah 56, ayah 22

Tafseer van De Onafwendbare Gebeurtenis · Al-Waaqia · 56:22

وَحُورٌ عِينٌۭ

En schonen met schitterende ogen.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De uitspraak over de uitleg van Zijn woord, de Verhevene: En grootogige hoeri's (56:22)

    De reciteurs verschilden over de lezing van Zijn woord En grootogige hoeri's. De meeste reciteurs van Kūfa en sommige Medinensers lazen het als wa-ḥūrin ʿīnin met de kasra (genitief), waarbij zij de verbuiging ervan lieten volgen op de verbuiging van wat eraan voorafgaat, namelijk de vruchten en het vlees — ook al behoort dat tot de zaken waarmee niet wordt rondgegaan; maar omdat de bedoelde betekenis bekend was, liet men het laatste in de verbuiging het eerste volgen, zoals een dichter zei:

    Wanneer de schonen op een dag tevoorschijn treden en de wenkbrauwen en de ogen opmaken (yuzajjijna).

    Want de ogen worden opgemaakt met kohl en niet getekend (tuzajjaj); slechts de wenkbrauwen worden getekend. Maar hij liet "de ogen" in de verbuiging terugslaan op "de wenkbrauwen", omdat de toehoorder de betekenis daarvan kent. En zoals een ander zei:

    Je hoort vanuit de ingewanden daarvan een gerommel, en aan de beide voorpoten een hardheid (jusʾa) en spreiding (badad).

    Al-jusʾa is een grofheid in de hand, en die wordt niet gehoord.

    En sommige reciteurs van Medina, Mekka en Kūfa, en sommige mensen van Basra, lazen het in de nominatief (rafʿ): wa-ḥūrun ʿīnun, als nieuwe aanvang (ibtidāʾ); en zij zeiden: er wordt met de grootogige hoeri's niet rondgegaan, zodat het toegestaan zou zijn hen in de verbuiging te koppelen aan de verbuiging van "vruchten" en "vlees"; veeleer staat het in de nominatief in de betekenis: en bij hen zijn grootogige hoeri's, of: voor hen zijn grootogige hoeri's.

    En het juiste van de uitspraak daarover is naar mijn mening dat men zegt: het zijn twee welbekende lezingen; een groep reciteurs heeft elk van beide gelezen, met nabijheid van hun beider betekenissen, dus met welke van de twee lezingen de reciteur ook leest, hij doet juist. Al-ḥūr is het meervoud van ḥawrāʾ: dat is zij wier oogwit zuiver is en wier zwart intens is. En al-ʿīn is het meervoud van ʿaynāʾ: dat is zij die grootogig is in schoonheid.

    [Voetnoten: (2) Dit bewijsvers behoort tot de getuigenissen van al-Farrāʾ in Maʿānī al-Qurʾān (folio 323); over dit vers is reeds gesproken samen met het bewijsvers "en ik zag je echtgenoot in de strijd...". In (al-Lisān: z-j-j): "de vrouw tekende haar wenkbrauw met het tekenstift (mizajj): zij maakte het dun en lang." Men zegt ook: zij verlengde het met antimoon. Met het woord "wanneer de schonen..." bedoelde hij in werkelijkheid: "en zij maakten de ogen op met kohl", zoals men zegt: "drank van melk, dadels en wrongel", waarbij "en hij at dadels en wrongel" bedoeld is; daarvan zijn er vele. De dichter zei: "علفتها تبنا..." dat wil zeggen: en ik gaf haar koud water te drinken; hij bedoelt dat wat hier voorkomt, slechts voortkomt door het impliciet veronderstellen van een ander werkwoord waardoor de betekenis correct wordt. Daaraan gelijk is het woord van een ander: "o ware je echtgenoot...", waarvan de onderliggende lezing is: "en dragend een lans". Ibn Barrī vermeldde dat al-Jawharī de tweede helft van een vers aanhaalde als "zajjajat al-marʾatu ḥājibayhā... wa-zajjajna al-ḥawājiba wa-l-ʿuyūnā", en zei: het is van al-Rāʿī, en de juiste lezing is "yuzajjijna"; en het eerste deel ervan is: "En een rilling van bedwelming uit een waarachtige stam, zij maken de wenkbrauwen en de ogen op." En daarna: "Zij deden hun kamelen knielen bij Dhāt Ghisl, gedurende het hoogtepunt van de dag, terwijl zij de zadeldekken effenden." Dhāt Ghisl is een plaats; "yamhadna" betekent: zij effenen/vlakken; "al-kudūn" is het meervoud van kidn, dat is datgene waarmee de vrouw haar rijdier bekleedt, van gewaad en dergelijke.

    (3) Het vers behoort tot de getuigenissen van al-Farrāʾ in Maʿānī al-Qurʾān (folio 323). In (al-Lisān: l-gh-ṭ): al-laghṭ (met sukūn of vocalisatie van de ghayn) zijn de onduidelijke, dooreengemengde geluiden en het rumoer dat niet wordt verstaan. In (al-Lisān: j-s-ʾ): "jasaʾa al-shayʾu yajsaʾu jusūʾan, dus het is jāsiʾ": hard en ruw. "Jasaʾat yaduhu van het werk tajsaʾu jasʾan": zij werd hard; het zelfstandig naamwoord is al-jusʾa, zoals al-jurʿa. En al-jusʾa bij rijdieren: stijfheid van het gewricht; men spreekt van een dier met stijve poten (jāsiʾat al-qawāʾim). In (al-Lisān: b-d-d): "een paard abadd, met de badad", dat wil zeggen ver uiteen tussen de beide voorpoten; en men zegt dat het het paard is wiens voorpoten ver van zijn flanken af staan, en dat is al-badad; "een kameel abadd"; dat is degene in wiens voorpoten een kromming (fatal) zit. De plaats van het bewijs in het vers is: dat hij al-jusʾa en al-badad — die beide gezien en niet gehoord worden — koppelde aan "laghṭā", dat gehoord wordt, en dat op grond van een verondersteld werkwoord, namelijk: "en je ziet aan de beide handen een hardheid en spreiding". Het is dus, als zijn evenknieën, een van de getuigenissen die al-Farrāʾ op deze plaats heeft genoemd. In het origineel staat "دئدا" in plaats van "بددا", en dat komt voort uit een verschrijving van de kopiisten.]

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله تعالى : وَحُورٌ عِينٌ (22) اختلف القرّاء في قراءة قوله: ( وَحُورٌ عِينٌ ) فقرأته عامة قراء الكوفة وبعض المدنيين ( وحُورٍ عِينٍ ) بالخفض إتباعا لإعرابها إعراب ما قبلها من الفاكهة واللحم، وإن كان ذلك مما لا يُطاف به، ولكن لما كان معروفا معناه المراد أتبع الآخر الأوّل في الإعراب، كما قال بعض الشعراء. إذَا مــا الغانِيــاتُ بَــرَزْنَ يَوْمـا وَزَجَّجْــن الْحَوَاجِــبَ والعُيُونــا (2) فالعيون تكَحَّل. ولا تزجَّج إلا الحواجب، فردّها في الإعراب على الحواجب، لمعرفة السامع معنى ذلك وكما قال الآخر: تَسْــمَعُ للأحَشْــاءِ مِنْــهُ لَغَطَــا وللْيَــــدَيْنِ جُســـأةً وَبَـــدَدَا (3) والجسأة: غلظ في اليد، وهي لا تُسمع. وقرأ ذلك بعض قرّاء المدينة ومكة والكوفة وبعض أهل البصرة بالرفع ( وحُورٍ عِينٍ ) على الابتداء، وقالوا: الحور العين لا يُطاف بهنّ، فيجوز العطف بهنّ في الإعراب على إعراب فاكهة ولحم، ولكنه مرفوع بمعنى: وعندهم حور عين، أو لهم حور عين. والصواب من القول في ذلك عندي أن يقال: إنهما قراءتان معروفتان قد قرأ بكل واحدة منهما جماعة من القرّاء مع تقارب معنييهما ، فبأيّ القراءتين قرأ القارئ فمصيب. والحور جماعة حَوْراء: وهي النقية بياض العين، الشديدة سوادها. والعين: جمع عيناء، وهي النجلاء العين في حُسن. ------------ الهوامش : (2) هذا الشاهد من شواهد الفراء في معاني القرآن ( الورقة 323 ) وتقدم الكلام عليه مع الشاهد " ورأيت زوجك الوغى .... البيتين " . وفي ( اللسان : زجج ) وزجت المرأة حاجبها بالمزج: دققته وطولته . وقيل : أطالته بالأثمد. وقوله: إذا ما الغانيات ... البيت" إنما أراد: وكحلن العيونا، كما قال: * شــراب ألبـان وتمـر وأقـط * أراد: وآكل تمر وأقط، ومثله كثير. قال الشاعر: " علفتها تبنا .... البيت " أي وسقيتها ماء باردا . يريد أن ما جاء من هذا، فإنما يجيء على إضمار فعل أخر يصح المعنى عليه . ومثله قول الآخر : " يا ليت زوجك .... البيت " تقديره: وحاملا رمحا. قال ابن بري ذكر الجوهري عجز بيت على زججت المرأة حاجبيها * وزججــن الحواجـب والعيونـا * قال: هو للراعي وصوابه: يزججن. وصدره: وهِــزَّةِ نشْــوَةٍ مِـنْ حـيّ صِـدْقٍ يُزَجِّجْـــنَ الْحَوَاجِــبَ والْعُيُونــا وبعده: أنَخْــنَ جِمَــالُهنَّ بــذَاتِ غِسْـلٍ سَــرَاةَ اليَــوْمِ يَمْهَــدْنَ الكُدُونـا ذات غسل: موضع. ويمهدن: يوطئن. والكدون: جمع كدن، وهو ما توطئ به المرأة مركبها، من كساء ونحوه. (3) البيت من شواهد الفراءء في معاني القرآن ( الورقة 323 ). وفي ( اللسان: لغط ) اللغط ( بسكون الغين وتحريكها ) : الأصوات المبهمة المختلفة، والجلبة لا تفهم. وفي (اللسان : جسأ ) : جسأ الشيء يجسأ جسوءا فهو جاسئ : صلب وخشن . وجسأت يده من العمل تجسأ جسأ: صلبت. والاسم الجسأة، مثل الجرعة. والجسأة في الدواب: يبس المعطف، ودابة جاسئة القوائم. وفي ( اللسان : بدد ) : وفرس أبد: بين البدد أي بعيد ما بين اليدين. وقيل هو الذي في يديه تباعد عن جنبيه، وهو البدد، وبعير أبدا، وهو الذي في يديه فتل ( بالتحريك ) وموضع الشاهد في البيت: أنه عطف الجسأة والبدد. وهما مما يرى لا مما يسمع، على " لغطا " وهو ما يسمع، وذلك على تقدير فعل ،أي وترى لليدين جسأة وبددا. فهو إذن كناظائره من الشواهد التي ذكرها الفراء في هذا الموضع . وفي الأصل ( دئدا ) في موضع ( بددا ) وهو من تحريف النساخين .