Tafseer van De Erbarmer · Ar-Rahmaan · 55:74
Die geen mens en geen Djinn ooit vóór hen heeft aangeraakt.
Zijn uitspraak: لَمْ يَطْمِثْهُنَّ إِنْسٌ قَبْلَهُمْ وَلا جَانٌّ ("Geen mens noch djinn heeft hen vóór hen aangeraakt") — de Verhevene, wiens gedachtenis verheven is, zegt: geen mens noch djinn heeft hen vóór hen aangeraakt door geslachtsgemeenschap waardoor hij hen tot bloeden bracht.
De voorlezers van de steden hebben gelezen لَمْ يَطْمِثْهُنَّ ("heeft hen aangeraakt") met een kasra op de mīm, zowel op deze plaats als op de plaats daarvóór. Al-Kisāʾī placht echter de ene van de twee met een kasra te lezen en de andere met een ḍamma.
Het juiste van de lezing daarin is dat waarop de voorlezers van de steden zich baseren, want dat is de welsprekende taal en de bekende spraak uit de taal van de Arabieren.