Tabari
Terug naar surah 55, ayah 58

Tafseer van De Erbarmer · Ar-Rahmaan · 55:58

كَأَنَّهُنَّ ٱلْيَاقُوتُ وَٱلْمَرْجَانُ

Als waren zij van robijn en koraal.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De uitspraak over de uitleg van Zijn, de Verhevene, woord: Alsof zij robijn en koraal zijn (55:58)

    De Verhevene, wiens gedachtenis verheven is, zegt: het is alsof deze (vrouwen) met neergeslagen blik, die zich in deze twee tuinen bevinden, in hun helderheid de robijn zijn, waarbij men de draad die erin zit van achteren erdoorheen kan zien; zo ook ziet men het merg van hun benen door hun lichamen heen, en in hun schoonheid zijn zij de robijn en het koraal.

    En overeenkomstig hetgeen wij hierover hebben gezegd, hebben de uitleggers gesproken.

    Vermelding van de overlevering die hierover van de Boodschapper van Allah ﷺ is overgeleverd:

    Muḥammad ibn Ḥātim heeft mij verteld, hij zei: ʿUbayda heeft ons verteld, op gezag van Ḥumayd, op gezag van ʿAṭāʾ ibn al-Sāʾib, op gezag van ʿAmr ibn Maymūn, op gezag van Ibn Masʿūd, op gezag van de Profeet ﷺ, hij zei: "Voorwaar, van de vrouw uit het volk van het Paradijs wordt de witheid van haar been gezien door zeventig gewaden van zijde heen, en (zelfs) haar merg; en dat is omdat Allah, gezegend en verheven is Hij, zegt: ( Alsof zij robijn en koraal zijn ). Wat de robijn betreft: indien jij er een draad in zou steken en hem vervolgens zou doorlichten, dan zou je hem van achteren erdoorheen zien."

    Yaʿqūb ibn Ibrāhīm heeft mij verteld, hij zei: Ibn ʿUlayya heeft ons verteld, op gezag van ʿAṭāʾ ibn al-Sāʾib, op gezag van ʿAmr ibn Maymūn, hij zei: Ibn Masʿūd zei: Voorwaar, de vrouw uit het volk van het Paradijs draagt zeventig gewaden van zijde, (en toch) wordt de witheid van haar been en de schoonheid van haar been daarachter gezien; dat is omdat Allah zegt: ( Alsof zij robijn en koraal zijn ). Welnu, de robijn is een steen: indien jij er een draad in zou doen en hem vervolgens zou doorlichten, zou je naar de draad kijken van achter de steen.

    Hij zei: Ibn ʿUlayya heeft ons verteld, hij zei: Abū Rajāʾ heeft ons verteld, op gezag van al-Ḥasan, over Zijn uitspraak: ( Alsof zij robijn en koraal zijn ) — in de witheid van het koraal.

    Abū Hishām al-Rifāʿī heeft ons verteld, hij zei: Ibn Fuḍayl heeft ons verteld, hij zei: ʿAṭāʾ ibn al-Sāʾib heeft ons verteld, op gezag van ʿAmr ibn Maymūn, hij zei: ʿAbd Allāh heeft ons bericht: dat de vrouw uit het volk van het Paradijs zeventig gewaden van zijde draagt, en (toch) wordt de witheid van haar been en de schoonheid ervan, en het merg van haar been, daarachter gezien; en dat is omdat Allah zei: ( Alsof zij robijn en koraal zijn ). Zie je niet dat de robijn een steen is: wanneer jij er een draad in steekt, zie je de draad van achter de steen.

    Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van Abū Isḥāq, op gezag van ʿAmr ibn Maymūn, hij zei: "Voorwaar, de vrouw onder de ḥūr al-ʿīn (de gazelle-ogige maagden) draagt zeventig gewaden, en (toch) wordt het merg van haar been gezien zoals men de rode drank ziet in het witte glas."

    Muḥammad ibn ʿUbayd al-Muḥāribī heeft mij verteld, hij zei: al-Muṭṭalib ibn Ziyād heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī, over Zijn uitspraak: ( Alsof zij robijn en koraal zijn ) — hij zei: de helderheid van de robijn en de schoonheid van het koraal.

    Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: ( Alsof zij robijn en koraal zijn ): de helderheid van de robijn in de witheid van het koraal. Aan ons is vermeld dat de Profeet van Allah ﷺ zei: "Wie het Paradijs binnengaat, voor hem zijn daarin twee echtgenotes, van wie het merg van hun benen wordt gezien door hun gewaden heen."

    Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: Muḥammad ibn Marwān heeft ons verteld, hij zei: Abū al-ʿAwwām heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: ( Alsof zij robijn en koraal zijn ) — hij zei: zij worden vergeleken met de helderheid van de robijn in de witheid van het koraal.

    Muḥammad ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft ons verteld, hij zei: Ibn Thawr heeft ons verteld, op gezag van Maʿmar, op gezag van Qatāda: ( Alsof zij robijn en koraal zijn ): in de helderheid van de robijn en de witheid van het koraal.

    Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei over Zijn uitspraak: ( Alsof zij robijn en koraal zijn ) — hij zei: zij zijn als de robijn in helderheid, en het koraal in witheid; de helderheid is de helderheid van de robijn, en de witheid is de witheid van de parel.

    Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Mihrān heeft ons verteld, op gezag van Sufyān: ( Alsof zij robijn en koraal zijn ) — hij zei: in de helderheid van de robijn en de witheid van het koraal.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله تعالى : كَأَنَّهُنَّ الْيَاقُوتُ وَالْمَرْجَانُ (58) يقول تعالى ذكره: كأن هؤلاء القاصرات الطرف، اللواتي هنّ في هاتين الجنتين في صفائهنّ الياقوت، الذي يرى السلك الذي فيه من ورائه، فكذلك يرى مخّ سوقهنّ من وراء أجسامهنّ، وفي حسنهنّ الياقوت والمرجان. وبنحو الذي قلنا في ذلك قال أهل التأويل. ذكر الأثر الذي روي عن رسول الله صَلَّى الله عَلَيْهِ وَسَلَّم بذلك: حدثني محمد بن حاتم، قال: ثنا عبيدة، عن حُميد، عن عطاء بن السائب، عن عمرو بن ميمون، عن ابن مسعود عن النبي صَلَّى الله عَلَيْهِ وَسَلَّم قال: " إنَّ المَرأةَ مِنْ أهـْل الجَنَّة لَيُرَى بَياضُ ساقها مِنْ وَرَاء سَبْعِينَ حُلَّةً مِنْ حرير ومُخُّها، وذلكَ أن اللهَ تَبارَكَ وَتَعَالى يَقُولُ: ( كَأَنَّهُنَّ الْيَاقُوتُ وَالْمَرْجَانُ ) أمَّا الياقُوتُ فإنَّهُ لَوْ أدْخَلْتَ فِيهِ سِلْكا ثُمَّ اسْتَصْفَيْتَهُ لرأيْتَهُ مِنْ وَرَائِه ". حدثني يعقوب بن إبراهيم، قال: ثنا ابن علية، عن عطاء بن السائب، عن عمرو بن ميمون، قال، قال ابن مسعود: إن المرأة من أهل الجنة لتلبس سبعين حلة من حرير، يرى بياض ساقها وحسن ساقها من ورائهنّ، ذلكم بأن الله يقول ( كَأَنَّهُنَّ الْيَاقُوتُ وَالْمَرْجَانُ )، ألا وإنما الياقوت حجر فلو جعلت فيه سلكا ثم استصفيته، لنظرت إلى السلك من وراء الحجر. قال: ثنا ابن علية، قال: ثنا أبو رجاء، عن الحسن، في قوله: ( كَأَنَّهُنَّ الْيَاقُوتُ وَالْمَرْجَانُ )، في بياض المرجان. حدثنا أبو هشام الرفاعي، قال: ثنا ابن فضيل، قال: ثنا عطاء بن السائب، عن عمرو بن ميمون، قال: أخبرنا عبد الله: أن المرأة من أهل الجنة لتلبس سبعين حلة من حرير، فيرى بياض ساقها وحسنه، ومخّ ساقها من وراء ذلك، وذلك لأن الله قال ( كَأَنَّهُنَّ الْيَاقُوتُ وَالْمَرْجَانُ )، ألا ترى أن الياقوت حجر، فإذا أدخلت فيه سلكا، رأيت السلك من وراء الحجر. حدثنا ابن بشار، قال: ثنا عبد الرحمن، قال: ثنا سفيان، عن أبي إسحاق، عن عمرو بن ميمون، قال: " إن المرأة من الحور العين لتلبس سبعين حلة، فيرى مخّ ساقها كما يرى الشراب الأحمر في الزجاجة البيضاء ". حدثني محمد بن عبيد المحاربيّ، قال: ثنا المطلب بن زياد، عن &; 23-67 &; السديّ، في قوله: ( كَأَنَّهُنَّ الْيَاقُوتُ وَالْمَرْجَانُ ) قال: صفاء الياقوت وحسن المرجان. حدثنا بشر، قال: ثنا يزيد، قال: ثنا سعيد، عن قتادة ( كَأَنَّهُنَّ الْيَاقُوتُ وَالْمَرْجَانُ ) صفاء الياقوت في بياض المرجان. ذُكر لنا أن نبيّ الله صَلَّى الله عَلَيْهِ وَسَلَّم قال: " مَنْ دَخَلَ الجَنَّةَ فَلَهُ فِيها زَوْجتَان يُرىَ مُخُّ سُوقِهِما مِنْ وَرَاءِ ثِيابِهِما ". حدثنا ابن بشار، قال: ثنا محمد بن مروان، قال: ثنا أبو العوّام، عن قتادة ( كَأَنَّهُنَّ الْيَاقُوتُ وَالْمَرْجَانُ ) قال: شبه بهنّ صفاء الياقوت في بياض المرجان. حدثنا محمد بن عبد الأعلى، قال: ثنا ابن ثور، عن معمر، عن قتادة ( كَأَنَّهُنَّ الْيَاقُوتُ وَالْمَرْجَانُ ): في صفاء الياقوت وبياض المرجان. حدثني يونس، قال: أخبرنا ابن وهب، قال، قال ابن زيد، في قوله: ( كَأَنَّهُنَّ الْيَاقُوتُ وَالْمَرْجَانُ ) قال: كأنهن الياقوت في الصفاء، والمرجان في البياض، الصفاء: صفاء الياقوتة، والبياض : بياض اللؤلؤ. حدثنا ابن حُميد، قال: ثنا مهران، عن سفيان ( كَأَنَّهُنَّ الْيَاقُوتُ وَالْمَرْجَانُ ) قال: في صفاء الياقوت وبياض المرجان.