Tafseer van De Maaltijd · Al-Maaida · 5:7
En gedenkt de genieting van Allah voor jullie en Zijn verbond dat Hij met jullie sloot toen jullie zeiden: "Wij hebben gehoord en gehoorzaamd." En vreest Allah. Voorwaar, Allah is Alwetend over wat zich in de harten bevindt.
Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak, verheven is Zijn vermelding: وَاذْكُرُوا نِعْمَةَ اللَّهِ عَلَيْكُمْ وَمِيثَاقَهُ الَّذِي وَاثَقَكُمْ بِهِ إِذْ قُلْتُمْ سَمِعْنَا وَأَطَعْنَا وَاتَّقُوا اللَّهَ إِنَّ اللَّهَ عَلِيمٌ بِذَاتِ الصُّدُورِ (5:7) (En gedenkt de gunst van Allah jegens u en Zijn verbond dat Hij met u sloot, toen gij zeidet: wij hebben gehoord en wij gehoorzamen; en vreest Allah, voorwaar Allah is alwetend over wat in de harten verborgen is.) (5:7)
Abū Jaʿfar zei: Hij, verheven is Zijn lofprijzing, bedoelt daarmee het volgende: En gedenkt de gunst van Allah jegens u, o gelovigen, door de verbintenissen die gij voor Allah ten aanzien van uzelf zijt aangegaan, en gedenkt Zijn gunst jegens u daarin, doordat Hij u uit die verbintenissen leidde naar wat Zijn welbehagen draagt, en u in staat stelde tot wat uw redding van dwaling en ondergang bevat, naast vele andere gunsten. Zoals:
11550 – Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, op gezag van ʿĪsā, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid: "En gedenkt de gunst van Allah jegens u" – hij zei: de gunsten (al-niʿam): dat zijn de weldaden (ālāʾ) van Allah.
11551 – Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Ḥudhayfa heeft ons verteld, hij zei: Shibl heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, hetzelfde.
* * *
Wat Zijn uitspraak betreft: "en Zijn verbond dat Hij met u sloot" – Hij bedoelt daarmee: En gedenkt ook, o gelovigen, te midden van de gunsten van Allah waarmee Hij u begunstigd heeft, "Zijn verbond dat Hij met u sloot", en dat is Zijn overeenkomst die Hij met u aanging.
* * *
De geleerden van de uitleg (ahl al-taʾwīl) verschilden van mening over het "verbond" (mīthāq) dat Allah in dit vers vermeldt: welk van Zijn verbonden Hij bedoelde?
Sommigen van hen zeiden: Hij bedoelde daarmee het verbond van Allah dat Hij met de gelovigen onder de metgezellen van de Boodschapper van Allah ﷺ sloot, toen zij de Boodschapper van Allah ﷺ trouw zwoeren op het horen en gehoorzamen van hem in wat zij liefhadden en wat hun tegenstond, en op het handelen naar alles wat Allah en Zijn Boodschapper hun geboden.
Vermelding van wie dat zei:
11552 – Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd Allāh ibn Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī, op gezag van Ibn ʿAbbās, omtrent Zijn uitspraak: "En gedenkt de gunst van Allah jegens u en Zijn verbond dat Hij met u sloot, toen gij zeidet: wij hebben gehoord en wij gehoorzamen" – het vers; hij bedoelt: toen Allah de Profeet ﷺ uitzond en het Boek aan hem neerzond, en zij zeiden: "Wij geloven in de Profeet ﷺ en in het Boek, en wij erkennen wat in de Torah staat." Toen herinnerde Allah hen aan Zijn verbond dat zij ten aanzien van zichzelf erkend hadden, en gebood Hij hun het na te komen.
11553 – Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: "En gedenkt de gunst van Allah jegens u en Zijn verbond dat Hij met u sloot, toen gij zeidet: wij hebben gehoord en wij gehoorzamen" – Hij nam immers ons verbond af, en wij zeiden: wij hebben gehoord en wij gehoorzamen, op het geloof en de erkenning daarvan en van Zijn Boodschapper.
* * *
En anderen zeiden: Hij, verheven is Zijn lofprijzing, bedoelde daarmee veeleer Zijn verbond dat Hij van Zijn dienaren afnam toen Hij hen uit de lendenen van Adam ﷺ voortbracht en hen tegen zichzelf liet getuigen: Ben Ik niet uw Heer? Waarop zij zeiden: Jawel, wij getuigen.
Vermelding van wie dat zei:
11554 – Muḥammad ibn ʿAmr heeft ons verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, omtrent Zijn uitspraak: "en Zijn verbond dat Hij met u sloot" – hij zei: het verbond dat Hij met de kinderen van Adam sloot in de rug van Adam.
11555 – Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Ḥudhayfa heeft ons verteld, hij zei: Shibl heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, iets dergelijks.
* * *
Abū Jaʿfar zei: De meest juiste van de uitspraken in de uitleg daarvan is de uitspraak van Ibn ʿAbbās, namelijk dat de betekenis is: "En gedenkt", o gelovigen, "de gunst van Allah jegens u" waarmee Hij u begunstigd heeft door uw leiding tot de Islam, "en Zijn verbond dat Hij met u sloot", dat wil zeggen: en Zijn overeenkomst die Hij met u aanging toen gij Zijn Boodschapper Muḥammad ﷺ trouw zwoert op het horen en gehoorzamen van hem in voorspoed en tegenspoed, in moeite en gemak, "toen gij zeidet: wij hebben gehoord" wat Gij ons gezegd hebt en wat Gij ons aan verbonden hebt opgelegd, en wij gehoorzamen U in wat Gij ons geboden en verboden hebt. En Hij heeft u ook begunstigd door u in staat te stellen dat van Hem te aanvaarden met uw uitspraak tot Hem: "Wij hebben gehoord en wij gehoorzamen." Hij zegt: Komt dan jegens Allah na, o gelovigen, Zijn verbond dat Hij met u sloot, en Zijn gunst waarmee Hij u daarin begunstigd heeft door uw erkenning ten aanzien van uzelf van het horen naar Hem en het gehoorzamen in wat Hij u geboden en verboden heeft; dan zal Hij jegens u nakomen wat Hij u te zullen nakomen heeft toegezegd, wanneer gij Hem Zijn verbond nakomt: namelijk de voltooiing van Zijn gunst jegens u, uw binnentreden in Zijn paradijs (janna), uw begunstiging met de eeuwigheid in het verblijf van Zijn eer, en uw redding van Zijn bestraffing en Zijn pijnlijke kwelling (ʿadhāb).
En wij hebben slechts gezegd dat dit juister is dan de uitspraak van degene die zei: "Hij bedoelde daarmee het verbond dat van hen werd afgenomen in de lendenen van Adam, de zegeningen van Allah over hem", omdat Allah, verheven is Zijn lofprijzing, onmiddellijk na het herinneren van de gelovigen aan Zijn verbond dat Hij met hen sloot, melding maakte van Zijn verbond dat Hij met de mensen van de Torah sloot – nadat Hij Zijn Boek had neergezonden op Zijn profeet Mūsā ﷺ over wat Hij hun daarin geboden en verboden had – en zo zei Hij: وَلَقَدْ أَخَذَ اللَّهُ مِيثَاقَ بَنِي إِسْرَائِيلَ وَبَعَثْنَا مِنْهُمُ اثْنَيْ عَشَرَ نَقِيبًا (En voorzeker, Allah nam het verbond van de kinderen van Israël af, en Wij wekten uit hen twaalf hoofdmannen op), met de verzen daarna [Surah Al-Māʾidah: 12]. Hij wees daarmee de metgezellen van de Boodschapper van Allah Muḥammad ﷺ op de plaatsen van hun aandeel in het nakomen jegens Allah van wat Hij met hen overeengekomen was, en Hij maakte hun de kwade afloop bekend van de Mensen van het Boek in hun verwaarlozing van wat zij verwaarloosden van Zijn verbond dat Hij met hen sloot betreffende Zijn gebod en verbod en het ondersteunen van Zijn profeten en boodschappers; aldus hen weerhoudend van het verbreken van hun verbonden, opdat hun niet zou overkomen wat overkwam aan de verbond-verbrekers van de Mensen van het Boek vóór hen.
Want – aangezien datgene waaraan Hij hen herinnerde en waarmee Hij hen vermaande en hen verbood iets dergelijks van die daad te begaan, het verbond was van een volk wiens verbond werd afgenomen ná het zenden van de Boodschapper tot hen en het neerzenden van het Boek op hen – was het noodzakelijk dat de toestand waarin het verbond werd afgenomen, en die van de vermaanden, gelijk zou zijn aan de toestand van degenen met wier voorbeeld zij vermaand werden. En aangezien dat zo is, is de juistheid van wat wij daarover gezegd hebben duidelijk, en de onhoudbaarheid van het tegendeel ervan.
* * *
Wat Zijn uitspraak betreft: "en vreest Allah, voorwaar Allah is alwetend over wat in de harten verborgen is" – dit is een dreiging van Allah, geprezen zij Zijn naam, aan de gelovigen die zich rond Zijn Boodschapper ﷺ van Zijn metgezellen bevonden, en een waarschuwing aan hen dat zij het verbond van Allah dat Hij met hen sloot betreffende Zijn Boodschapper, en hun overeenkomst die zij daaromtrent met Hem aangingen, zouden verbreken door tegenover Hem te verbergen wat het tegendeel was van wat zij Hem met hun tongen openbaarden.
Hij, verheven is Zijn lofprijzing, zegt tot hen: En vreest Allah, o gelovigen; weest dus bevreesd voor Hem dat gij Zijn overeenkomst zoudt veranderen en Zijn verbond dat Hij met u sloot zoudt verbreken, of dat gij in strijd zoudt handelen met wat gij Hem hebt toegezegd met uw uitspraak: "wij hebben gehoord en wij gehoorzamen", door tegenover Hem in uzelf iets anders te verbergen dan de nakoming daarvan; want Allah is op de hoogte van wat uw harten verbergen en wetend van wat uw zielen verborgen houden – niets daarvan is voor Hem verborgen – zodat Hij dan over u zou laten neerkomen van Zijn bestraffing wat gij niet zoudt kunnen verdragen, gelijk neerkwam over degenen vóór u van de joden aan gedaanteverandering en allerlei soorten van bestraffingen, en zodat gij bij uw terugkeer zoudt belanden in de toorn van Allah en Zijn pijnlijke bestraffing.