Tabari
Terug naar surah 41, ayah 28

Tafseer van Klaar Uiteengezet · Fussilat · 41:28

ذَٰلِكَ جَزَآءُ أَعْدَآءِ ٱللَّهِ ٱلنَّارُ ۖ لَهُمْ فِيهَا دَارُ ٱلْخُلْدِ ۖ جَزَآءًۢ بِمَا كَانُوا۟ بِـَٔايَٰتِنَا يَجْحَدُونَ

Dat is de vergelding voor de vijanden van Allah: de Hel. Voor hen is daar de eeuwige verblijfplaats, als een vergelding omdat zij Onze Tekenen plachten te ontkennen.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: ذَلِكَ جَزَاءُ أَعْدَاءِ اللَّهِ النَّارُ لَهُمْ فِيهَا دَارُ الْخُلْدِ جَزَاءً بِمَا كَانُوا بِآيَاتِنَا يَجْحَدُونَ (28) ("Dat is de vergelding van de vijanden van Allah: het Vuur. Daarin hebben zij de woning van de eeuwigheid, als vergelding voor het feit dat zij Onze tekenen plachten te verloochenen.") (41:28)

    De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: Dit is de vergelding waarmee dezen die ongelovig zijn geworden onder de polytheïsten (mushrikīn) van Qoeraisj vergolden worden — de vergelding van de vijanden van Allah. Vervolgens begon Hij, wiens lofprijzing verheven is, de mededeling over de aard van die vergelding en waaruit zij bestaat, en Hij zei: zij is het Vuur. Het Vuur is dus een verheldering van de vergelding en een uitleg ervan; het staat in de nominatief omdat het terugverwijst naar haar. Vervolgens zei Hij: لَهُمْ فِيهَا دَارُ الْخُلْدِ ("Daarin hebben zij de woning van de eeuwigheid"), dat wil zeggen: voor deze polytheïsten die deelgenoten aan Allah toekennen is in het Vuur de woning van de eeuwigheid, dat wil zeggen de woning van het verblijven en het vertoeven zonder einde en zonder eindterm. De woning waarvan Hij, wiens lofprijzing verheven is, meedeelt dat zij voor hen in het Vuur is, is het Vuur zelf. Dit is welluidend vanwege het verschil tussen de twee bewoordingen, zoals men zegt: "Jij hebt in jouw stad een goede woning", en "in Koefa een edele woning", terwijl de woning Koefa en de stad zelf is. Dat klinkt dus goed vanwege het verschil in de bewoordingen. Er is ons overgeleverd dat het in de lezing van Ibn Masʿūd luidt: "ذَلكَ جَزَاءُ أعْدَاء اللهِ النَّارُ دَارُ الخُلْدِ" ("Dat is de vergelding van de vijanden van Allah: het Vuur, de woning van de eeuwigheid"). Daarin ligt een bevestiging van wat wij hebben gezegd over de uitleg daarvan, namelijk dat hij "de woning" als uitleg gaf van het Vuur.

    En Zijn uitspraak: جَزَاءً بِمَا كَانُوا بِآيَاتِنَا يَجْحَدُونَ ("als vergelding voor het feit dat zij Onze tekenen plachten te verloochenen") betekent: Wij hebben dit gedaan wat Wij met dezen hebben gedaan — namelijk dat Wij hen het Vuur als vergelding gaven voor hun daad — als een vergelding van Onze kant voor hun verloochening in het wereldse leven van Onze tekenen waarmee Wij tegen hen argumenteerden.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله تعالى : ذَلِكَ جَزَاءُ أَعْدَاءِ اللَّهِ النَّارُ لَهُمْ فِيهَا دَارُ الْخُلْدِ جَزَاءً بِمَا كَانُوا بِآيَاتِنَا يَجْحَدُونَ (28) يقول تعالى ذكره: هذا الجزاء الذي يجزى به هؤلاء الذين كفروا من مشركي قريش جزاء أعداء الله; ثم ابتدأ جلّ ثناؤه الخبر عن صفة ذلك الجزاء, وما هو فقال: هو النار, فالنار بيان عن الجزاء, وترجمة عنه, وهي مرفوعة بالردّ عليه; ثم قال: ( لَهُمْ فِيهَا دَارُ الْخُلْدِ ) يعني لهؤلاء المشركين بالله في النار دار الخلد يعني دار المكث واللبث, إلى غير نهاية ولا أمد; والدار التي أخبر جلّ ثناؤه أنها لهم في النار هي النار, وحسن ذلك لاختلاف اللفظين, كما يقال: لك من بلدتك دار صالحة, ومن الكوفة دار كريمة, والدار: هي الكوفة والبلدة, فيحسن ذلك لاختلاف الألفاظ, وقد ذكر لنا أنها في قراءة ابن مسعود: " ذَلكَ جَزَاءُ أعْدَاء اللهِ النَّارُ دَارُ الخُلْدِ" ففي ذلك تصحيح ما قلنا من التأويل في ذلك, وذلك أنه ترجم بالدار عن النار. وقوله: ( جَزَاءً بِمَا كَانُوا بِآيَاتِنَا يَجْحَدُونَ ) يقول: فعلنا هذا الذي فعلنا بهؤلاء من مجازاتنا إياهم النار على فعلهم جزاء منا بجحودهم في الدنيا بآياتنا التي احتججنا بها عليهم.