Tafseer van Saba · Saba · 34:31
En degenen die ongelovig zijn, zeggen: "Wij zullen nooit in deze Koran geloven, en niet in wat ervóór was." En als jij (O Moehammad) de onrechtplegers zouden kunnen zien, wanneer Zij voorgeleid worden bij hun Heer. Zij zullen elkaar woorden verwijten. Degenen die volgelingen waren, zeggen tot degenen die hoogmoedig waren: "Als jullie ons niet hadden misleid, dan zouden wij zeker gelovigen zijn geweest"
De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: وَقَالَ الَّذِينَ كَفَرُوا لَنْ نُؤْمِنَ بِهَذَا الْقُرْآنِ وَلا بِالَّذِي بَيْنَ يَدَيْهِ وَلَوْ تَرَى إِذِ الظَّالِمُونَ مَوْقُوفُونَ عِنْدَ رَبِّهِمْ يَرْجِعُ بَعْضُهُمْ إِلَى بَعْضٍ الْقَوْلَ يَقُولُ الَّذِينَ اسْتُضْعِفُوا لِلَّذِينَ اسْتَكْبَرُوا لَوْلا أَنْتُمْ لَكُنَّا مُؤْمِنِينَ (34:31) (En degenen die ongelovig zijn zeggen: Wij zullen nooit in deze Koran geloven, noch in wat eraan voorafging. En kon je het maar zien wanneer de onrechtplegers tot stilstand gebracht worden bij hun Heer, terwijl zij elkaar verwijten toewerpen. Degenen die onderdrukt werden zeggen tot degenen die hoogmoedig waren: Waren jullie er niet geweest, dan zouden wij gelovigen zijn geweest.) (34:31)
De Verhevene, wiens gedachtenis verheven is, zegt: (وَقَالَ الَّذِينَ كَفَرُوا) (En degenen die ongelovig zijn zeggen), namelijk de polytheïsten (mushrikīn) onder de Arabieren: (لَنْ نُؤْمِنَ بِهَذَا الْقُرْآنِ) (Wij zullen nooit in deze Koran geloven) die Muḥammad, Allah's zegen en vrede zij met hem, ons heeft gebracht, noch in het Boek dat een ander vóór hem heeft gebracht.
Zoals Bishr ons heeft verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over Zijn woord (لَنْ نُؤْمِنَ بِهَذَا الْقُرْآنِ وَلا بِالَّذِي بَيْنَ يَدَيْهِ), hij zei: De polytheïsten zeiden: Wij zullen nooit in deze Koran geloven, noch in wat eraan voorafging van de Boeken en de profeten.
En Zijn woord (وَلَوْ تَرَى إِذِ الظَّالِمُونَ مَوْقُوفُونَ عِنْدَ رَبِّهِمْ) (En kon je het maar zien wanneer de onrechtplegers tot stilstand gebracht worden bij hun Heer): terwijl zij elkaar verwijten maken en met elkaar redetwisten. De onderdrukten, die in het wereldse leven verkeerden, zeggen tot degenen die in dat leven hoogmoedig over hen waren: Waren jullie er niet geweest, o leiders en grootheden in het wereldse leven, dan zouden wij in Allah en Zijn tekenen hebben geloofd.