Tabari
Terug naar surah 30, ayah 33

Tafseer van De Romeinen · Ar-Room · 30:33

وَإِذَا مَسَّ ٱلنَّاسَ ضُرٌّۭ دَعَوْا۟ رَبَّهُم مُّنِيبِينَ إِلَيْهِ ثُمَّ إِذَآ أَذَاقَهُم مِّنْهُ رَحْمَةً إِذَا فَرِيقٌۭ مِّنْهُم بِرَبِّهِمْ يُشْرِكُونَ

En wanneer tegenspoed de mensen treft, dan roepen zij hun Heer aan, als berouwvollen tot Hem. Daarna, wanneer Hij hun Barmhartigheid van Hem doet proeven, dan kont een groep van hen deelgenoten aan hun Heer toe.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: En wanneer de mensen door tegenspoed worden getroffen, roepen zij hun Heer aan, zich tot Hem wendend in berouw. Maar wanneer Hij hun daarna een barmhartigheid van Zich laat proeven, dan kent een groep van hen aan hun Heer deelgenoten toe (30:33).

    De Verhevene, wiens lof verheven is, zegt: en wanneer deze polytheïsten (mushrikīn), die naast Allah een andere god stellen, door tegenspoed worden getroffen, en hun een ramp, droogte en schaarste overkomt, roepen zij hun Heer aan. Hij zegt: dan wijden zij de eenheidsbelijdenis (tawḥīd) zuiver aan hun Heer, en zonderen zij Hem af met de aanroeping en de smeekbede tot Hem, en zoeken zij hulp bij Hem, zich tot Hem wendend in berouw (munībīna ilayhi), berouwvol tot Hem terugkerend van hun shirk en hun ongeloof (kufr). Maar wanneer Hij hun daarna een barmhartigheid laat proeven, Hij zegt: maar wanneer hun Heer, de Verhevene, die tegenspoed van hen wegneemt en hun verlichting brengt en hun voorspoed, vruchtbaarheid en ruimte schenkt, dan, een groep van hen, Hij zegt: dan kent een gezelschap van hen aan hun Heer deelgenoten toe. Hij zegt: zij aanbidden naast Hem de goden en de afgodsbeelden.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله تعالى : وَإِذَا مَسَّ النَّاسَ ضُرٌّ دَعَوْا رَبَّهُمْ مُنِيبِينَ إِلَيْهِ ثُمَّ إِذَا أَذَاقَهُمْ مِنْهُ رَحْمَةً إِذَا فَرِيقٌ مِنْهُمْ بِرَبِّهِمْ يُشْرِكُونَ (33) يقول تعالى ذكره: وإذا مسّ هؤلاء المشركين الذين يجعلون مع الله إلها آخر ضرّ، فأصابتهم شدة وجدوب وقحوط (دَعَوْا رَبَّهُمْ) يقول: أخلصوا لربهم التوحيد، وأفردوه بالدعاء والتضرّع إليه، واستغاثوا به (مُنِيبِينَ إِلَيْهِ)، تائبين إليه من شركهم وكفرهم (ثُمَّ إِذَا أذاقَهُمْ مِنْهُ رَحْمَةً) يقول: ثم إذا كشف ربهم تعالى ذكره عنهم ذلك الضرّ، وفرّجه عنهم، وأصابهم برخاء وخصب وسعة، (إذَا فَرِيقٌ مِنْهُمْ) يقول: إذا جماعة منهم (بِرَبِّهِمْ يُشْرِكُونَ) يقول: يعبدون معه الآلهة والأوثان.