Tabari
Terug naar surah 3, ayah 95

Tafseer van De Familie van Imraan · Aal-i-Imraan · 3:95

قُلْ صَدَقَ ٱللَّهُ ۗ فَٱتَّبِعُوا۟ مِلَّةَ إِبْرَٰهِيمَ حَنِيفًۭا وَمَا كَانَ مِنَ ٱلْمُشْرِكِينَ

Zeg: "Allah spreekt de Waarheid, volgt dus de godsdienst van Ibrâhîm, Hanîf; en hij behoorde niet tot de veelgodenaanbidders."

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    De uitleg van de uitspraak van de Verhevene, wiens lof verheven is: قُلْ صَدَقَ اللَّهُ فَاتَّبِعُوا مِلَّةَ إِبْرَاهِيمَ حَنِيفًا وَمَا كَانَ مِنَ الْمُشْرِكِينَ (3:95) (Zeg: "Allah heeft de waarheid gesproken; volgt daarom de geloofsleer van Ibrāhīm, de zuivere in geloof, en hij behoorde niet tot de polytheïsten (mushrikīn).")

    Abū Jaʿfar [al-Ṭabarī] zei: Hij, wiens lof verheven is, bedoelt daarmee: "Zeg" — o Muḥammad ﷺ — "Allah heeft de waarheid gesproken" in wat Hij ons heeft meegedeeld met Zijn woord: كُلُّ الطَّعَامِ كَانَ حِلًّا لِبَنِي إِسْرَائِيلَ (Alle voedsel was toegestaan voor de kinderen van Israël), en dat Allah aan Israël en aan zijn kinderen niet de aderen, noch het vlees van de kamelen, noch hun melk verboden heeft, en dat dit slechts iets was dat Israël zichzelf en zijn kinderen verbood zonder dat Allah het hun in de Torah had verboden — en in alles wat Hij Zijn dienaren aan bericht heeft meegedeeld, zijt gij [er ver vandaan]. En gij, o gemeenschap der Joden, zijt de leugenaars in uw bewering dat dit verbod door Allah in de Torah aan u werd opgelegd, de verzinners van het valse tegen Allah in uw aanspraak op Hem die niet de waarheid is. "Volgt daarom de geloofsleer van Ibrāhīm, de zuivere in geloof, en hij behoorde niet tot de polytheïsten" — Hij zegt: indien gij, o Joden, in het recht zijt in uw bewering dat gij de godsdienst aanhangt die Allah voor Zijn profeten en boodschappers heeft welbehaagd, "volgt dan de geloofsleer van Ibrāhīm", de vriend van Allah (khalīl Allāh), want gij weet dat het de waarheid is die Allah van Zijn schepselen als godsdienst heeft welbehaagd en waarmee Hij Zijn profeten heeft uitgezonden — dat is het zuivere geloof (al-ḥanīfiyya), namelijk de standvastigheid in de islam en zijn voorschriften, en niet het Jodendom, het Christendom of het polytheïsme.

    * * *

    En Zijn woord: "en hij behoorde niet tot de polytheïsten" — Hij zegt: hij kende in zijn aanbidding aan niemand van Zijn schepselen deelgenootschap toe. Zo ook gij, o Joden: laat de een onder u niet de ander tot heren naast Allah nemen, die gij gehoorzaamt zoals Ibrāhīm zijn Heer gehoorzaamde. En gij, o gemeenschap van afgodendienaars: neemt de afgoden en beelden niet tot heren, en aanbidt niets naast Allah, want Ibrāhīm, de vriend van de Erbarmer, zijn godsdienst was het zuiver toewijden van de aanbidding aan zijn Heer alleen, zonder iemand daarin met Hem te vereenzelvigen. Zo ook gij: wijdt de aanbidding zuiver aan Hem toe en kent niemand deelgenootschap toe met Hem in de aanbidding, want gij allen erkent dat Ibrāhīm op de waarheid en op een rechte leiding was. Volgt daarom datgene waarvan gij allen het juiste hebt erkend van zijn zuivere geloofsleer, en laat datgene varen waarover gij van mening verschilt aangaande de overige geloofsleren naast die, o partijen, want dat zijn nieuwlichterijen die gij hebt ingevoerd tegenover datgene waarover gij het eens zijt geworden dat het de waarheid is. Want datgene waarover gij het eens zijt geworden dat het juist en waar is uit de geloofsleer van Ibrāhīm, dat is de waarheid die Ik heb welbehaagd en waarmee Ik Mijn profeten en boodschappers heb uitgezonden; en al het overige is het valse dat Ik van niemand van Mijn schepselen aanvaard die het op de Dag der Opstanding tot Mij brengt.

    * * *

    En Hij, wiens lof verheven is, zei slechts "en hij behoorde niet tot de polytheïsten" en bedoelt daarmee: en hij behoorde niet tot hun getal en hun bondgenoten. Dat komt doordat de polytheïsten elkaar toebehoren in het zich versterken op hun ongeloof en in het elkaar bijstaan. Zo verklaarde Allah Zijn vriend Ibrāhīm vrij ervan tot hen te behoren of tot hun helpers en hun bondgenoten. En Hij, wiens lof verheven is, bedoelde met de polytheïsten slechts de Joden, de Christenen en de overige godsdiensten anders dan het zuivere geloof. Hij zei: Ibrāhīm behoorde niet tot de aanhangers van deze polytheïstische godsdiensten, maar hij was een zuivere in geloof (ḥanīf), een aan Allah overgegevene (moslim).

    -----------------

    Voetnoten:

    (22) In het manuscript staat "in alles wat Hij heeft meegedeeld..." met weglating van de wāw, terwijl het juiste is wat in de gedrukte editie staat. Het is verbonden met de eerdere uitspraak: "Allah heeft de waarheid gesproken in wat Hij ons heeft meegedeeld...". En Zijn woord "gij zijt er ver vandaan" — de zinsbouw is: "Allah heeft de waarheid gesproken... gij zijt er ver vandaan", dat wil zeggen: gij zijt niet waarachtig.

    (23) In de gedrukte editie: "gij, o gemeenschap der Joden, de leugenaars..."; het juiste is het toevoegen van de wāw zoals in het manuscript. De zinsbouw is: "en gij ... de leugenaars ... de verzinners ..." met de nominatief in beide, als predicaat van "gij".

    (24) De toevoeging tussen haakjes maakt de uitspraak in de juiste vorm sluitend.

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله تعالى جل ثناؤه : قُلْ صَدَقَ اللَّهُ فَاتَّبِعُوا مِلَّةَ إِبْرَاهِيمَ حَنِيفًا وَمَا كَانَ مِنَ الْمُشْرِكِينَ (95) قال أبو جعفر: يعني بذلك جل ثناؤه: " قل "، يا محمد =" صدق الله "، فيما أخبرنا به من قوله: كُلُّ الطَّعَامِ كَانَ حِلا لِبَنِي إِسْرَائِيلَ ، وأن الله لم يحرم على إسرائيل ولا على ولده العروقَ ولا لحومَ الإبل وألبانَها، وأنّ ذلك إنما كان شيئًا حرّمه إسرائيل على نفسه وَوَلده بغير تحريم الله إياه عليهم في التوراة = وفي كل ما أخبر به عباده من خبر، (22) دونكم.وأنتم، يا معشر اليهود، الكذبةُ في إضافتكم تحريم ذلك إلى الله عليكم في التوراة، (23) المفتريةُ على الله الباطل في دعواكم عليه غير الحق =" فاتبعوا ملة إبراهيم حنيفًا وما كان من المشركين "، يقول: فإن كنتم، أيها اليهود، محقين في دعواكم أنكم على الدّين الذي ارتضاه الله لأنبيائه ورُسله =" فاتبعوا ملة إبراهيم "، خليل الله، فإنكم تعلمون أنه الحق الذي ارتضَاه الله منْ خلقه دينًا، وابتعث به أنبياءَه، ذلك الحنيفية -يعني الاستقامة على الإسلام وشرائعه- دون اليهودية والنصرانية والمشركة. * * * وقوله: " وما كان من المشركين "، يقول: لم يكن يشرك في عبادته أحدًا من خلقه. فكذلك أنتم أيضًا، أيها اليهود، فلا يتخذ بعضكم بعضًا أربابًا من دون الله تطيعونهم كطاعة إبراهيم ربه = وأنتم يا معشرَ عبدة الأوثان، فلا تتخذوا الأوثان والأصنام أربابًا، ولا تعبدوا شيئًا من دون الله، فإن إبراهيم خليل الرحمن كان دينُه إخلاص العبادة لربه وحدَه، من غير إشراك أحد معه فيه. فكذلك أنتم أيضًا، فأخلصوا له العبادة ولا تشركوا معه في العبادة أحدًا، فإن جميعكم مقرُّون بأنّ إبراهيم كان على حقّ وَهدْى مستقيم، فاتبعوا ما قد أجمع جميعُكم على تصويبه من ملته الحنيفية، ودعوا ما اختلفتم فيه من سائر الملل غيرها، أيها الأحزاب، فإنها بدَع ابتدعتموها إلى ما قد أجمعتم عليه أنه حق، فإن الذي أجمعتم عليه أنه صوابٌ وحق من ملة إبراهيم، هو الحق الذي ارتضيتُه وابتعثتُ به أنبيائي ورسلي، وسائرُ ذلك هو الباطل الذي لا أقبله من أحد من خلقي جاءَني به يوم القيامة. * * * وإنما قال جل ثناؤه: " وما كان من المشركين "، يعني به: وما كان من عَدَدهم وأوليائهم. وذلك أن المشركين بعضهم من بعض في التظاهر على كفرهم. ونصرةِ بعضهم بعضًا. فبرأ الله إبراهيم خليله أن يكون منهم أو [من] نصرائهم وأهل ولايتهم. (24) وإنما عنى جل ثناؤه بالمشركين، اليهودَ والنصارَى وسائر الأديان، غير الحنيفية. قال: لم يكن إبراهيم من أهل هذه الأديان المشركة، ولكنه كان حنيفًا مسلمًا. ----------------- الهوامش : (22) في المخطوطة"في كل ما أخبر..." بحذف الواو ، والصواب ما في المطبوعة. وهو معطوف على قوله آنفا: "صدق الله فيما أخبرنا به...". وقوله: "دونكم" ، سياقه"صدق الله ... دونكم" ، يعني فأنتم غير صادقين. (23) في المطبوعة: "أنتم يا معشر اليهود الكذبة..." والصواب إثبات الواو كما في المخطوطة. وسياقه"وأنتم ... الكذبة ... المفترية ..." بالرفع فيهما ، خبر"أنتم". (24) الزيادة بين القوسين يستقيم بها الكلام على وجهه.