Tabari
Terug naar surah 3, ayah 199

Tafseer van De Familie van Imraan · Aal-i-Imraan · 3:199

وَإِنَّ مِنْ أَهْلِ ٱلْكِتَٰبِ لَمَن يُؤْمِنُ بِٱللَّهِ وَمَآ أُنزِلَ إِلَيْكُمْ وَمَآ أُنزِلَ إِلَيْهِمْ خَٰشِعِينَ لِلَّهِ لَا يَشْتَرُونَ بِـَٔايَٰتِ ٱللَّهِ ثَمَنًۭا قَلِيلًا ۗ أُو۟لَٰٓئِكَ لَهُمْ أَجْرُهُمْ عِندَ رَبِّهِمْ ۗ إِنَّ ٱللَّهَ سَرِيعُ ٱلْحِسَابِ

En voorwaar, er zijn er onder de Lieden van de Schrift die zeker in Allah geloven en in wat aan jullie geopenbaard is en in wat hen geopenbaard is, terwijl zij nederig tegenover Allah zijn, zij ruilen de Verzen van Allah niet in voor een geringr prijs: zij zijn degenen voor wi hun beloning bij hun Heer is. Voorwaar, Allah is snel met de afrekening.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: En waarlijk, onder de Mensen van het Boek zijn er die in Allah geloven en in wat tot jullie is neergezonden en in wat tot hen is neergezonden, terwijl zij zich ootmoedig onderwerpen aan Allah; zij verkopen de tekenen van Allah niet voor een geringe prijs (3:199).

    Abū Jaʿfar zei: De uitleggers verschilden van mening over wie met dit vers bedoeld wordt.

    Sommigen van hen zeiden: Hiermee wordt Aṣḥama de Negus bedoeld, en aangaande hem werd het neergezonden.

    * Vermelding van wie dat zei:

    8376 - ʿIṣām ibn Rawwād ibn al-Jarrāḥ heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: Abū Bakr al-Hudhalī heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, op gezag van Saʿīd ibn al-Musayyab, op gezag van Jābir ibn ʿAbd Allāh: dat de Profeet ﷺ zei: "Gaat naar buiten en verricht het gebed over een broeder van jullie." Hij ging ons voor in het gebed en sprak vier keer de takbīr uit, en zei toen: "Dit is de Negus, Aṣḥama." Daarop zeiden de hypocrieten: Kijk eens naar deze man die het gebed verricht over een christelijke ongelovige (ʿilj) die hij nooit gezien heeft! Toen zond Allah neer: "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek zijn er die in Allah geloven."

    8377 - Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: Muʿādh ibn Hishām heeft ons verteld, hij zei: mijn vader heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: dat de Profeet ﷺ zei: Voorwaar, jullie broeder de Negus is gestorven, verricht dus het gebed over hem. Zij zeiden: Moet er gebeden worden over een man die geen moslim is! Hij (Qatāda) zei: Toen werd neergezonden: "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek zijn er die in Allah geloven en in wat tot jullie is neergezonden en in wat tot hen is neergezonden, terwijl zij zich ootmoedig onderwerpen aan Allah." Qatāda zei: Toen zeiden zij: Maar hij placht niet in de richting van de qibla te bidden! Toen zond Allah neer: En aan Allah behoort het oosten en het westen, dus waarheen jullie je ook wenden, daar is het aangezicht van Allah (Surah Al-Baqarah: 115).

    8378 - Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, betreffende zijn uitspraak: "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek zijn er die in Allah geloven en in wat tot jullie is neergezonden en in wat tot hen is neergezonden." Aan ons werd vermeld dat dit vers werd neergezonden aangaande de Negus, en aangaande een aantal mensen onder zijn metgezellen die in de Profeet van Allah ﷺ geloofden en hem voor waarachtig hielden. Hij zei: En aan ons werd vermeld dat de Profeet van Allah ﷺ om vergiffenis vroeg voor de Negus en het gebed over hem verrichtte toen hem diens dood bereikte. Hij zei tot zijn metgezellen: "Verricht het gebed over een broeder van jullie die in een ander land dan het jullie is gestorven"! Toen zeiden enige mensen van de hypocrisie: "Moet hij het gebed verrichten over een man die gestorven is en die niet tot de mensen van zijn godsdienst behoort"? Toen zond Allah dit vers neer: "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek zijn er die in Allah geloven en in wat tot jullie is neergezonden en in wat tot hen is neergezonden, terwijl zij zich ootmoedig onderwerpen aan Allah; zij verkopen de tekenen van Allah niet voor een geringe prijs; zij zijn het voor wie hun beloning bij hun Heer is. Voorwaar, Allah is snel in de afrekening."

    8379 - Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Maʿmar heeft ons bericht, op gezag van Qatāda, betreffende zijn uitspraak: "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek zijn er die in Allah geloven en in wat tot jullie is neergezonden en in wat tot hen is neergezonden." Hij zei: Het werd neergezonden aangaande de Negus en zijn metgezellen, onder hen die in de Profeet ﷺ geloofden. En de naam van de Negus was Aṣḥama.

    8380 - Al-Muthannā heeft ons verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq zei, en Ibn ʿUyayna zei: De naam van de Negus in het Arabisch is ʿAṭiyya.

    8381 - Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft ons verteld, op gezag van Ibn Jurayj, hij zei: Toen de Profeet ﷺ het gebed over de Negus verrichtte, hekelden de hypocrieten dat, waarop dit vers werd neergezonden: "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek zijn er die in Allah geloven", tot het einde van het vers.

    * * *

    Anderen zeiden: Veeleer wordt daarmee ʿAbd Allāh ibn Salām bedoeld en wie met hem was.

    * Vermelding van wie dat zei:

    8382 - Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, hij zei: Het werd neergezonden – te weten dit vers – aangaande ʿAbd Allāh ibn Salām en wie met hem was.

    8383 - Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd heeft mij bericht betreffende zijn uitspraak: "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek zijn er die in Allah geloven en in wat tot jullie is neergezonden en in wat tot hen is neergezonden", het hele vers. Hij zei: Dezen zijn de joden.

    * * *

    Anderen zeiden: Veeleer worden daarmee de bekeerde Mensen van het Boek bedoeld.

    * Vermelding van wie dat zei:

    8384 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Ḥudhayfa heeft ons verteld, hij zei: Shibl heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid: "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek zijn er die in Allah geloven en in wat tot jullie is neergezonden", onder de joden en de christenen, en zij zijn de bekeerde Mensen van het Boek.

    * * *

    Abū Jaʿfar zei: En de juiste van deze uitspraken voor de uitleg van het vers is wat Mujāhid heeft gezegd. Dat is omdat Allah, verheven zij Zijn lof, met Zijn uitspraak "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek" alle Mensen van het Boek in het algemeen omvatte, en daarbij niet de christenen ten koste van de joden, noch de joden ten koste van de christenen, bijzonder maakte. Hij berichtte slechts dat er onder "de Mensen van het Boek" zijn die in Allah geloven. En beide groepen – ik bedoel de joden en de christenen – behoren tot de Mensen van het Boek.

    * * *

    Indien iemand zou zeggen: Wat zeg jij dan over de overlevering die jij hebt overgeleverd van Jābir en anderen: dat het werd neergezonden aangaande de Negus en zijn metgezellen?

    Daarop wordt geantwoord: Dat is een overlevering waarin de overleveringsketen (isnād) twijfelachtig is. En zelfs als deze onbetwijfelbaar authentiek zou zijn, zou zij niet strijdig zijn met wat wij over de betekenis van het vers hebben gezegd. Dat is omdat Jābir en wie zijn mening deelt slechts gezegd hebben: "Het werd neergezonden aangaande de Negus", en het vers kan over iets in het bijzonder worden neergezonden en vervolgens algemeen worden gemaakt voor allen die in die betekenis vallen. Dus al was het vers neergezonden aangaande de Negus, dan heeft Allah, gezegend en verheven is Hij, de bepaling die Hij ten aanzien van de Negus heeft uitgevaardigd, tot een bepaling gemaakt voor al Zijn dienaren die de eigenschap van de Negus hebben in hun navolging van de Boodschapper van Allah ﷺ en hun bevestiging van wat hij hun van bij Allah heeft gebracht, na hetgeen waarop zij voordien waren wat betreft het navolgen van het bevel van Allah in datgene wat Hij Zijn dienaren in de beide boeken, de Tawrāt en de Indjīl, heeft opgedragen.

    * * *

    Wanneer dat zo is, dan is de uitleg van het vers: "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek" – de Tawrāt en de Indjīl – "zijn er die in Allah geloven", dat wil zeggen die Zijn eenheid erkennen, "en in wat tot jullie is neergezonden", o gelovigen; Hij zegt: en in wat tot jullie is neergezonden van Zijn Boek en Zijn openbaring bij monde van Zijn Boodschapper Muḥammad ﷺ, "en in wat tot hen is neergezonden", dat wil zeggen: en in wat tot de Mensen van het Boek aan boeken is neergezonden, en dat is de Tawrāt, de Indjīl en de Zabūr, "terwijl zij zich ootmoedig onderwerpen aan Allah", dat wil zeggen: zich onderwerpend aan Allah door gehoorzaamheid, nederig en deemoedig voor Hem daarmee, zoals:

    8385 - Yūnus heeft ons verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd heeft mij bericht betreffende zijn uitspraak: "terwijl zij zich ootmoedig onderwerpen aan Allah", hij zei: De ootmoedige (al-khāshiʿ) is degene die zich deemoedig en vol vrees voor Allah toont.

    * * *

    En het woord "terwijl zij zich ootmoedig onderwerpen aan Allah" staat in de accusatief (naṣb) als omstandigheidsbepaling (ḥāl) bij zijn uitspraak "die in Allah geloven", en het is een omstandigheidsbepaling bij wat in "geloven" besloten ligt aan verwijzing naar "wie".

    * * *

    "Zij verkopen de tekenen van Allah niet voor een geringe prijs", Hij zegt: Zij vervalsen niet wat tot hen in Zijn boeken is neergezonden aan de beschrijving van Muḥammad ﷺ door het te verdraaien, noch iets anders van Zijn bepalingen en bewijzen daarin, omwille van een waardeloos en verachtelijk wereldgoed dat hun voor die verdraaiing gegeven wordt, en het najagen van leiderschap over de onwetenden. Veeleer voegen zij zich naar de waarheid, en handelen zij naar wat Allah hun heeft opgedragen in wat tot hen aan boeken is neergezonden, en weerhouden zij zich van wat Hij hun daarin heeft verboden, en geven zij het bevel van Allah, de Verhevene, voorrang boven de begeerte van hun eigen ziel.

    * * *

    Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: Zij zijn het voor wie hun beloning bij hun Heer is. Voorwaar, Allah is snel in de afrekening (3:199).

    Abū Jaʿfar zei: Met Zijn uitspraak, verheven zij Zijn lof, "Zij zijn het voor wie hun beloning is", bedoelt Hij: dezen die in Allah geloven en in wat tot jullie is neergezonden en in wat tot hen is neergezonden, "voor hen is hun beloning bij hun Heer", dat wil zeggen: voor hen is de vergelding van hun werken die zij hebben verricht, en het loon voor hun gehoorzaamheid aan hun Heer in datgene waarin zij Hem gehoorzaamden, "bij hun Heer", dat wil zeggen: dat ligt voor hen bij Hem opgespaard, totdat zij op de Dag der Opstanding tot Hem geraken en Hij hun dat ten volle vergoedt. "Voorwaar, Allah is snel in de afrekening", en de snelheid van Zijn afrekening, verheven zij Zijn vermelding, is dat niets van hun werken Hem verborgen blijft, vóór zij die verrichten noch nadat zij die verricht hebben, zodat Hij geen behoefte heeft daarvan het aantal op te tellen, waarbij dan in het optellen vertraging zou optreden. Daarom zei Hij: "Voorwaar, Allah is snel in de afrekening."

    Toon originele Arabische tekst
    القول في تأويل قوله : وَإِنَّ مِنْ أَهْلِ الْكِتَابِ لَمَنْ يُؤْمِنُ بِاللَّهِ وَمَا أُنْزِلَ إِلَيْكُمْ وَمَا أُنْزِلَ إِلَيْهِمْ خَاشِعِينَ لِلَّهِ لا يَشْتَرُونَ بِآيَاتِ اللَّهِ ثَمَنًا قَلِيلا قال أبو جعفر: اختلف أهل التأويل فيمن عنى بهذه الآية. فقال بعضهم: عنى بها أصحمة النجاشي، وفيه أنـزلت. * ذكر من قال ذلك: 8376 - حدثنا عصَام بن رواد بن الجراح قال، حدثنا أبي قال، حدثنا أبو بكر الهذليّ، عن قتادة، عن سعيد بن المسيب، عن جابر بن عبد الله: أن &; 7-497 &; النبي صلى الله عليه وسلم قال: " اخرجوا فصلوا على أخ لكم ". فصلى بنا، فكبر أربع تكبيرات، فقال: " هذا النجاشي أصحمة "، فقال المنافقون: انظروا إلى هذا يصلي على عِلْجٍ نصرَاني لم يره قط! (32) فأنـزل الله: " وإن من أهل الكتاب لمن يؤمن بالله ". (33) 8377 - حدثنا ابن بشار قال، حدثنا معاذ بن هشام قال، حدثنا أبي عن قتادة: أن النبي صلى الله عليه وسلم قال: إن أخاكم النجاشي قد مات فصلوا عليه. قالوا: يصلَّى على رجل ليس بمسلم! قال: فنـزلت: " وإنّ من أهل الكتاب لمن يؤمن بالله وما أنـزل إليكم وما أنـزل إليهم خاشعين لله ". قال قتادة: فقالوا: فإنه كان لا يصلي إلى القبلة! فأنـزل الله: وَلِلَّهِ الْمَشْرِقُ وَالْمَغْرِبُ فَأَيْنَمَا تُوَلُّوا فَثَمَّ وَجْهُ اللَّهِ [سورة البقرة: 115] 8378 - حدثنا بشر قال، حدثنا يزيد قال، حدثنا سعيد، عن قتادة قوله: " وإن من أهل الكتاب لمن يؤمن بالله وما أنـزل إليكم وما أنـزل إليهم "، ذكر &; 7-498 &; لنا أن هذه الآية نـزلت في النَّجاشي، وفي ناس من أصحابه آمنوا بنبي الله صلى الله عليه وسلم وصدَّقوا به. قال: وذكر لنا أن نبيَّ الله صلى الله عليه وسلم استغفر للنجاشي وصلى عليه حين بلغه موته، قال لأصحابه: " صلّوا على أخ لكم قد مات بغير بلادكم "! فقال أناس من أهل النفاق: " يصلي على رجل مات ليس من أهل دينه "؟ فأنـزل الله هذه الآية: " وإنّ من أهل الكتاب لمن يؤمن بالله وما أنـزل إليكم وما أنـزل إليهم خاشعين لله لا يشترون بآيات الله ثمنًا قليلا أولئك لهم أجرهم عند ربهم إن الله سريع الحساب ". 8379 - حدثنا الحسن بن يحيى قال، أخبرنا عبد الرزاق قال، أخبرنا معمر، عن قتادة، في قوله: " وإنّ من أهل الكتاب لمن يؤمن بالله وما أنـزل إليكم وما أنـزل إليهم "، قال: نـزلت في النجاشي وأصحابه ممن آمن بالنبي صلى الله عليه وسلم = واسم النجاشي، أصحْمة. 8380 - حدثنا المثنى قال، حدثنا إسحاق قال، قال عبد الرزاق، وقال ابن عيينة: اسم النجاشي بالعربية: عطية. 8381 - حدثنا القاسم قال، حدثنا الحسين قال، حدثنا حجاج، عن ابن جريج قال: لما صلى النبي صلى الله عليه وسلم على النجاشي، طعن في ذلك المنافقون، فنـزلت هذه الآية: " وإن من أهل الكتاب لمن يؤمن بالله "، إلى آخر الآية. * * * وقال آخرون: بل عنى بذلك عبد الله بن سَلامٍ ومن معه. * ذكر من قال ذلك: 8382 - حدثنا القاسم قال، حدثنا الحسين قال، حدثني حجاج، عن ابن جريج قال: نـزلت -يعني هذه الآية- في عبد الله بن سلام ومن معه. 8383 - حدثني يونس قال، أخبرنا ابن وهب قال، أخبرني ابن زيد في &; 7-499 &; قوله: " وإنّ من أهل الكتاب لمن يؤمن بالله وما أنـزل إليكم وما أنـزل إليهم "، الآية كلها= قال: هؤلاء يهود. * * * وقال آخرون: بل عنى بذلك مُسْلِمة أهل الكتاب. * ذكر من قال ذلك: 8384 - حدثني المثنى قال، حدثنا أبو حذيفة قال، حدثنا شبل، عن ابن أبي نجيح، عن مجاهد: " وإن من أهل الكتاب لمن يؤمن بالله وما أنـزل إليكم "، من اليهود والنصارى، وهم مسلمة أهل الكتاب. * * * قال أبو جعفر: وأولى هذه الأقوال بتأويل الآية ما قاله مجاهد. وذلك أنّ الله جل ثناؤه عَمّ بقوله: " وإنّ من أهل الكتاب " أهلَ الكتاب جميعًا، فلم يخصص منهم النصارى دون اليهود، ولا اليهود دون النصارى. وإنما أخبر أن من " أهل الكتاب " من يؤمن بالله. وكلا الفريقين =أعني اليهود والنصارى= من أهل الكتاب. * * * فإن قال قائل: فما أنت قائلٌ في الخبر الذي رويتَ عن جابر وغيره: أنها نـزلت في النجاشي وأصحابه؟ قيل: ذلك خبر في إسناده نظر. ولو كان صحيحًا لا شك فيه، لم يكن لما قلنا في معنى الآية بخلاف. (34) وذلك أنّ جابرًا ومن قال بقوله، إنما قالوا: " نـزلت في النجاشيّ"، وقد تنـزل الآية في الشيء، ثم يعم بها كل من كان في معناه. فالآية وإن كانت نـزلت في النجاشيّ، فإن الله تبارك وتعالى قد جعل الحكم الذي حكم به للنجاشيّ، حكمًا لجميع عباده الذين هم بصفة النجاشيّ في اتباعهم &; 7-500 &; رسول الله صلى الله عليه وسلم، والتصديق بما جاءهم به من عند الله، بعد الذي كانوا عليه قبل ذلك من اتباع أمر الله فيما أمر به عباده في الكتابين، التوراة والإنجيل. * * * فإذ كان ذلك كذلك، فتأويل الآية: " وإن من أهل الكتاب " التوراة والإنجيل=" لمن يؤمن بالله " فيقرّ بوحدانيته=" وما أنـزل إليكم "، أيها المؤمنون، يقول: وما أنـزل إليكم من كتابه ووحيه على لسان رسوله محمد صلى الله عليه وسلم=" وما أنـزل إليهم "، يعني: وما أنـزل على أهل الكتاب من الكتب، وذلك التوراة والإنجيل والزبور=" خاشعين لله "، يعني: خاضعين لله بالطاعة، مستكينين له بها متذلِّلين، (35) كما:- 8385 - حدثنا يونس قال، أخبرنا ابن وهب قال، أخبرني ابن زيد في قوله: " خاشعين لله "، قال: الخاشع، المتذلل لله الخائف. * * * ونصب قوله: " خاشعين لله "، على الحال من قوله: " لمن يؤمن بالله "، وهو حال مما في" يؤمن " من ذكر " من ". (36) * * * =" لا يشترون بآيات الله ثمنًا قليلا "، يقول: لا يحرِّفون ما أنـزل إليهم في كتبه من نعت محمد صلى الله عليه وسلم فيبدِّلونه، ولا غير ذلك من أحكامه وحججه فيه، لعَرَضٍ من الدنيا خسيس يُعطوْنه على ذلك التبديل، وابتغاء الرياسة على الجهال، (37) ولكن ينقادون للحق، فيعملون بما أمرهم الله به فيما أنـزل إليهم من كتبه، وينتهون عما نهاهم عنه فيها، ويؤثرون أمرَ الله تعالى على هَوَى أنفسهم. * * * القول في تأويل قوله : أُولَئِكَ لَهُمْ أَجْرُهُمْ عِنْدَ رَبِّهِمْ إِنَّ اللَّهَ سَرِيعُ الْحِسَابِ (199) قال أبو جعفر: يعني بقوله جل ثناؤه (38) " أولئك لهم أجرهم "، هؤلاء الذين يؤمنون بالله وما أنـزل إليكم وما أنـزل إليهم=" لهم أجرهم عند ربهم "، يعني: لهم عوض أعمالهم التي عملوها، وثواب طاعتهم ربَّهم فيما أطاعوه فيه (39) =" عند ربهم " يعني: مذخور ذلك لهم لديه، حتى يصيروا إليه في القيامة، فيوفِّيهم ذلك =" إنّ الله سريع الحساب "، وسرعة حسابه تعالى ذكره: أنه لا يخفى عليه شيء من أعمالهم قبل أن يعملوها، وبعد ما عملوها، فلا حاجة به إلى إحصاء عدد ذلك، فيقع في الإحصاء إبطاء، فلذلك قال: " إن الله سريع الحساب ". (40) --------------------- الهوامش : (32) "العلج": الرجل من كفار العجم ، غير العرب ، والجمع"علوج" و"أعلاج". (33) الحديث: 8376 - عصام بن رواد بن الجراح: مضت ترجمته وتوثيقه: 2183. وقع هنا في المطبوعة"عصام بن زياد بن رواد بن الجراح"؛ فزيادة اسم"زياد" في نسبه لا أصل لها. وثبت في المخطوطة بحذفها ، على الصواب. أبوه"رواد بن الجراح": مضت ترجمته وتضعيفه: 126 ، 2183. أبو بكر الهذلي: سبق بيان ضعفه جدًا ، في: 597 ، وشرح: 2526. وهذا الحديث ذكره السيوطي 2: 113 ، ولم ينسبه لغير الطبري. وذكره ابن كثير 2: 330 ، عن الطبري ، ولكن في روايته خلاف في بعض لفظه لما هنا ، ولم يذكر أول إسناده. فلعله نقله عن موضع آخر من الطبري. وهذا الحديث ضعيف كما ترى ، وسيأتي قول الطبري ، ص: 499 س: 15"قيل: ذلك خبر في إسناده نظر". والضعف إنما هو في هذا الإسناد لحديث جابر ، أما أصل المعنى ، في صلاة النبي صلى الله عليه وسلم على النجاشي صلاة الجنازة الغائبة ، فإنه ثابت صحيح لا شك في صحته. رواه الشيخان وغيرهما من حديث جابر ، ومن حديث أبي هريرة. انظر المنتقى: 1821 - 1824. (34) في المطبوعة: "خلاف" ، والصواب ما في المخطوطة. وقوله: "بخلاف" ، أي بمخالف. (35) انظر تفسير"الخشوع" فيما سلف 2: 16 ، 17. (36) انظر معاني القرآن للفراء 1: 251. (37) انظر تفسير"الاشتراء" وتفسير"الثمن" فيما سلف قريبًا: 459 ، تعليق: 2 ، والمراجع هناك. (38) في المطبوعة: "يعني بذلك جل ثناؤه" ، والسياق يقتضي ما أثبت. (39) انظر تفسير"الأجر" فيما سلف 2: 148 ، 512 / 5: 519. (40) انظر تفسير"سريع الحساب" فيما سلف 4: 207 / 6: 279.