Tafseer van De Familie van Imraan · Aal-i-Imraan · 3:199
En voorwaar, er zijn er onder de Lieden van de Schrift die zeker in Allah geloven en in wat aan jullie geopenbaard is en in wat hen geopenbaard is, terwijl zij nederig tegenover Allah zijn, zij ruilen de Verzen van Allah niet in voor een geringr prijs: zij zijn degenen voor wi hun beloning bij hun Heer is. Voorwaar, Allah is snel met de afrekening.
Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: En waarlijk, onder de Mensen van het Boek zijn er die in Allah geloven en in wat tot jullie is neergezonden en in wat tot hen is neergezonden, terwijl zij zich ootmoedig onderwerpen aan Allah; zij verkopen de tekenen van Allah niet voor een geringe prijs (3:199).
Abū Jaʿfar zei: De uitleggers verschilden van mening over wie met dit vers bedoeld wordt.
Sommigen van hen zeiden: Hiermee wordt Aṣḥama de Negus bedoeld, en aangaande hem werd het neergezonden.
* Vermelding van wie dat zei:
8376 - ʿIṣām ibn Rawwād ibn al-Jarrāḥ heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: Abū Bakr al-Hudhalī heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, op gezag van Saʿīd ibn al-Musayyab, op gezag van Jābir ibn ʿAbd Allāh: dat de Profeet ﷺ zei: "Gaat naar buiten en verricht het gebed over een broeder van jullie." Hij ging ons voor in het gebed en sprak vier keer de takbīr uit, en zei toen: "Dit is de Negus, Aṣḥama." Daarop zeiden de hypocrieten: Kijk eens naar deze man die het gebed verricht over een christelijke ongelovige (ʿilj) die hij nooit gezien heeft! Toen zond Allah neer: "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek zijn er die in Allah geloven."
8377 - Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: Muʿādh ibn Hishām heeft ons verteld, hij zei: mijn vader heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: dat de Profeet ﷺ zei: Voorwaar, jullie broeder de Negus is gestorven, verricht dus het gebed over hem. Zij zeiden: Moet er gebeden worden over een man die geen moslim is! Hij (Qatāda) zei: Toen werd neergezonden: "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek zijn er die in Allah geloven en in wat tot jullie is neergezonden en in wat tot hen is neergezonden, terwijl zij zich ootmoedig onderwerpen aan Allah." Qatāda zei: Toen zeiden zij: Maar hij placht niet in de richting van de qibla te bidden! Toen zond Allah neer: En aan Allah behoort het oosten en het westen, dus waarheen jullie je ook wenden, daar is het aangezicht van Allah (Surah Al-Baqarah: 115).
8378 - Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, betreffende zijn uitspraak: "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek zijn er die in Allah geloven en in wat tot jullie is neergezonden en in wat tot hen is neergezonden." Aan ons werd vermeld dat dit vers werd neergezonden aangaande de Negus, en aangaande een aantal mensen onder zijn metgezellen die in de Profeet van Allah ﷺ geloofden en hem voor waarachtig hielden. Hij zei: En aan ons werd vermeld dat de Profeet van Allah ﷺ om vergiffenis vroeg voor de Negus en het gebed over hem verrichtte toen hem diens dood bereikte. Hij zei tot zijn metgezellen: "Verricht het gebed over een broeder van jullie die in een ander land dan het jullie is gestorven"! Toen zeiden enige mensen van de hypocrisie: "Moet hij het gebed verrichten over een man die gestorven is en die niet tot de mensen van zijn godsdienst behoort"? Toen zond Allah dit vers neer: "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek zijn er die in Allah geloven en in wat tot jullie is neergezonden en in wat tot hen is neergezonden, terwijl zij zich ootmoedig onderwerpen aan Allah; zij verkopen de tekenen van Allah niet voor een geringe prijs; zij zijn het voor wie hun beloning bij hun Heer is. Voorwaar, Allah is snel in de afrekening."
8379 - Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Maʿmar heeft ons bericht, op gezag van Qatāda, betreffende zijn uitspraak: "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek zijn er die in Allah geloven en in wat tot jullie is neergezonden en in wat tot hen is neergezonden." Hij zei: Het werd neergezonden aangaande de Negus en zijn metgezellen, onder hen die in de Profeet ﷺ geloofden. En de naam van de Negus was Aṣḥama.
8380 - Al-Muthannā heeft ons verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq zei, en Ibn ʿUyayna zei: De naam van de Negus in het Arabisch is ʿAṭiyya.
8381 - Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft ons verteld, op gezag van Ibn Jurayj, hij zei: Toen de Profeet ﷺ het gebed over de Negus verrichtte, hekelden de hypocrieten dat, waarop dit vers werd neergezonden: "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek zijn er die in Allah geloven", tot het einde van het vers.
* * *
Anderen zeiden: Veeleer wordt daarmee ʿAbd Allāh ibn Salām bedoeld en wie met hem was.
* Vermelding van wie dat zei:
8382 - Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, hij zei: Het werd neergezonden – te weten dit vers – aangaande ʿAbd Allāh ibn Salām en wie met hem was.
8383 - Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd heeft mij bericht betreffende zijn uitspraak: "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek zijn er die in Allah geloven en in wat tot jullie is neergezonden en in wat tot hen is neergezonden", het hele vers. Hij zei: Dezen zijn de joden.
* * *
Anderen zeiden: Veeleer worden daarmee de bekeerde Mensen van het Boek bedoeld.
* Vermelding van wie dat zei:
8384 - Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Ḥudhayfa heeft ons verteld, hij zei: Shibl heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid: "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek zijn er die in Allah geloven en in wat tot jullie is neergezonden", onder de joden en de christenen, en zij zijn de bekeerde Mensen van het Boek.
* * *
Abū Jaʿfar zei: En de juiste van deze uitspraken voor de uitleg van het vers is wat Mujāhid heeft gezegd. Dat is omdat Allah, verheven zij Zijn lof, met Zijn uitspraak "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek" alle Mensen van het Boek in het algemeen omvatte, en daarbij niet de christenen ten koste van de joden, noch de joden ten koste van de christenen, bijzonder maakte. Hij berichtte slechts dat er onder "de Mensen van het Boek" zijn die in Allah geloven. En beide groepen – ik bedoel de joden en de christenen – behoren tot de Mensen van het Boek.
* * *
Indien iemand zou zeggen: Wat zeg jij dan over de overlevering die jij hebt overgeleverd van Jābir en anderen: dat het werd neergezonden aangaande de Negus en zijn metgezellen?
Daarop wordt geantwoord: Dat is een overlevering waarin de overleveringsketen (isnād) twijfelachtig is. En zelfs als deze onbetwijfelbaar authentiek zou zijn, zou zij niet strijdig zijn met wat wij over de betekenis van het vers hebben gezegd. Dat is omdat Jābir en wie zijn mening deelt slechts gezegd hebben: "Het werd neergezonden aangaande de Negus", en het vers kan over iets in het bijzonder worden neergezonden en vervolgens algemeen worden gemaakt voor allen die in die betekenis vallen. Dus al was het vers neergezonden aangaande de Negus, dan heeft Allah, gezegend en verheven is Hij, de bepaling die Hij ten aanzien van de Negus heeft uitgevaardigd, tot een bepaling gemaakt voor al Zijn dienaren die de eigenschap van de Negus hebben in hun navolging van de Boodschapper van Allah ﷺ en hun bevestiging van wat hij hun van bij Allah heeft gebracht, na hetgeen waarop zij voordien waren wat betreft het navolgen van het bevel van Allah in datgene wat Hij Zijn dienaren in de beide boeken, de Tawrāt en de Indjīl, heeft opgedragen.
* * *
Wanneer dat zo is, dan is de uitleg van het vers: "En waarlijk, onder de Mensen van het Boek" – de Tawrāt en de Indjīl – "zijn er die in Allah geloven", dat wil zeggen die Zijn eenheid erkennen, "en in wat tot jullie is neergezonden", o gelovigen; Hij zegt: en in wat tot jullie is neergezonden van Zijn Boek en Zijn openbaring bij monde van Zijn Boodschapper Muḥammad ﷺ, "en in wat tot hen is neergezonden", dat wil zeggen: en in wat tot de Mensen van het Boek aan boeken is neergezonden, en dat is de Tawrāt, de Indjīl en de Zabūr, "terwijl zij zich ootmoedig onderwerpen aan Allah", dat wil zeggen: zich onderwerpend aan Allah door gehoorzaamheid, nederig en deemoedig voor Hem daarmee, zoals:
8385 - Yūnus heeft ons verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd heeft mij bericht betreffende zijn uitspraak: "terwijl zij zich ootmoedig onderwerpen aan Allah", hij zei: De ootmoedige (al-khāshiʿ) is degene die zich deemoedig en vol vrees voor Allah toont.
* * *
En het woord "terwijl zij zich ootmoedig onderwerpen aan Allah" staat in de accusatief (naṣb) als omstandigheidsbepaling (ḥāl) bij zijn uitspraak "die in Allah geloven", en het is een omstandigheidsbepaling bij wat in "geloven" besloten ligt aan verwijzing naar "wie".
* * *
"Zij verkopen de tekenen van Allah niet voor een geringe prijs", Hij zegt: Zij vervalsen niet wat tot hen in Zijn boeken is neergezonden aan de beschrijving van Muḥammad ﷺ door het te verdraaien, noch iets anders van Zijn bepalingen en bewijzen daarin, omwille van een waardeloos en verachtelijk wereldgoed dat hun voor die verdraaiing gegeven wordt, en het najagen van leiderschap over de onwetenden. Veeleer voegen zij zich naar de waarheid, en handelen zij naar wat Allah hun heeft opgedragen in wat tot hen aan boeken is neergezonden, en weerhouden zij zich van wat Hij hun daarin heeft verboden, en geven zij het bevel van Allah, de Verhevene, voorrang boven de begeerte van hun eigen ziel.
* * *
Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak: Zij zijn het voor wie hun beloning bij hun Heer is. Voorwaar, Allah is snel in de afrekening (3:199).
Abū Jaʿfar zei: Met Zijn uitspraak, verheven zij Zijn lof, "Zij zijn het voor wie hun beloning is", bedoelt Hij: dezen die in Allah geloven en in wat tot jullie is neergezonden en in wat tot hen is neergezonden, "voor hen is hun beloning bij hun Heer", dat wil zeggen: voor hen is de vergelding van hun werken die zij hebben verricht, en het loon voor hun gehoorzaamheid aan hun Heer in datgene waarin zij Hem gehoorzaamden, "bij hun Heer", dat wil zeggen: dat ligt voor hen bij Hem opgespaard, totdat zij op de Dag der Opstanding tot Hem geraken en Hij hun dat ten volle vergoedt. "Voorwaar, Allah is snel in de afrekening", en de snelheid van Zijn afrekening, verheven zij Zijn vermelding, is dat niets van hun werken Hem verborgen blijft, vóór zij die verrichten noch nadat zij die verricht hebben, zodat Hij geen behoefte heeft daarvan het aantal op te tellen, waarbij dan in het optellen vertraging zou optreden. Daarom zei Hij: "Voorwaar, Allah is snel in de afrekening."