Tafseer van De Familie van Imraan · Aal-i-Imraan · 3:146
En hoevelen van de Profeten vochten er niet, vergezeld van vele mensen en zij verloren de moed niet, wanneer zij op de Weg van Allah door rampspoed getroffen werden. En zij verzwakten niet en zij gaven zich niet over en Allah houdt van de geduldigen.
De uitleg van Zijn uitspraak, verheven is Hij: وَكَأَيِّنْ مِنْ نَبِيٍّ ("En hoeveel profeten…").
Abū Jaʿfar zei: De recitatoren verschillen over de lezing hiervan:
Sommigen lazen het: (وَكَأَيِّنْ), met een hamza op de "alif" en een verdubbeling (tashdīd) van de "yāʾ".
* * *
Anderen lazen het met verlenging (madd) van de "alif" en verlichting (takhfīf) van de "yāʾ".
* * *
Het zijn twee bekende lezingen onder de recitaties van de moslims, en twee welbekende taalvarianten, waartussen geen verschil in betekenis bestaat. Met welke van de twee lezingen een recitator dit dan ook reciteert, hij heeft het juiste getroffen, vanwege de overeenstemming in de betekenis ervan en hun beider bekendheid in de taal van de Arabieren. De betekenis ervan is: "en hoeveel profeten".
* * *
De uitleg van Zijn uitspraak: قَاتَلَ مَعَهُ رِبِّيُّونَ كَثِيرٌ ("met wie talrijke godvruchtige scharen streden").
Abū Jaʿfar zei: De recitatoren verschillen over de lezing van Zijn uitspraak: "qutila maʿahu ribbiyyūn" (58).
Een groep van de recitatoren van de Hijāz en Basra las het: (قُتِلَ), met een ḍamma op de "qāf" [d.w.z. passief: "werd gedood"].
* * *
Een andere groep las het met een fatḥa op de "qāf" en "met de alif" (59) [d.w.z. qātala: "streed"]. Dat is de lezing van een groep recitatoren van de Hijāz en Kūfa.
* * *
Abū Jaʿfar zei: Wat betreft degene die (قَاتَلَ — "streed") las, hij koos dit omdat hij zei: als zij gedood waren (qutilū), zou er voor Zijn uitspraak فَمَا وَهَنُوا ("zo verzwakten zij niet") geen bekende, begrijpelijke strekking zijn, want het is onmogelijk dat men hen beschrijft als niet versaagd en niet verzwakt nádat zij gedood zijn.
En degenen die dit lazen als (قُتِلَ — "werd gedood"), zij zeiden: met het doden werd uitsluitend de profeet bedoeld en een deel van de godvruchtigen (ribbiyyūn) die met hem waren, niet zij allen; en het versagen en de zwakte werden enkel ontkend van wie van de ribbiyyūn overbleven, van hen die niet gedood werden.
* * *
Abū Jaʿfar zei: En de meest juiste van de twee lezingen hierin is naar ons oordeel de lezing van wie het las met een ḍamma op de "qāf": ("qutila maʿahu ribbiyyūna kathīr" — "met wie talrijke godvruchtige scharen waren, werd gedood"), omdat Allah, machtig en verheven is Hij, met dit vers en de verzen ervóór juist degenen berispte — vanaf Zijn uitspraak: أَمْ حَسِبْتُمْ أَنْ تَدْخُلُوا الْجَنَّةَ وَلَمَّا يَعْلَمِ اللَّهُ الَّذِينَ جَاهَدُوا مِنْكُمْ ("Of dachten jullie dat jullie het paradijs zouden binnengaan terwijl Allah nog niet kent wie van jullie zich hebben ingespannen") (60) — die op de dag van Uḥud op de vlucht sloegen en de strijd staakten, of de schreeuwer hoorden roepen: "Voorwaar, Mohammed is gedood." Allah, machtig en verheven is Hij, verweet hun dus hun vlucht en hun staken van de strijd en zei: "Als Mohammed dan sterft of gedood wordt, o gelovigen, keren jullie je dan af van jullie religie en wenden jullie je op je hielen om?" Vervolgens deelde Hij hun mee over wat velen van de volgelingen der profeten vóór hen plachten te doen, en Hij zei tot hen: "Waarom deden jullie niet zoals de mensen van voortreffelijkheid en kennis onder de volgelingen der profeten vóór jullie plachten te doen wanneer hun profeet gedood werd — namelijk volharden op de weg van hun profeet en strijden voor zijn religie tegen de vijanden van de religie van Allah, op de wijze waarop zij met hun profeet plachten te strijden — en versaagden jullie niet en verzwakten jullie niet, zoals zij die vóór jullie waren, van de mensen van kennis en helder inzicht onder de volgelingen der profeten, niet verzwakten wanneer hun profeet gedood werd, maar volhardend bleven tegenover hun vijanden totdat Allah tussen hen en hen oordeelde?" En met die uitleg is de uitleg van de uitleggers gekomen (61).
* * *
Wat betreft "al-ribbiyyūn", zij staan in de nominatief (marfūʿ) door Zijn woord "maʿahu" ("met hem"), niet door Zijn woord "qutila" ("werd gedood"). De strekking van de uitspraak is namelijk: "En hoeveel profeten werd gedood, terwijl met hem talrijke godvruchtigen waren, en zij versaagden niet om wat hen trof op de weg van Allah." In de uitspraak is een "wāw" weggelaten (verzwegen), want het is een "wāw" die wijst op de betekenis van de toestand bij het doden van de profeet, vrede en zegeningen zij met hem; alleen heeft men zich tevredengesteld met de aanwijzing die het genoemde van de uitspraak daarop geeft, in plaats van het te vermelden. Dat is zoals de uitspraak van iemand die zegt: "De emir werd gedood, met hem een groot leger", in de betekenis van: "Hij werd gedood terwijl met hem een groot leger was."
* * *
Wat betreft "al-ribbiyyūn", de taalkundigen verschillen over de betekenis ervan.
Sommige grammatici van Basra zeiden: het zijn zij die de Heer (al-Rabb) aanbidden; hun enkelvoud is "ribbī".
* * *
En sommige grammatici van Kūfa zeiden: als zij toegeschreven waren aan de aanbidding van de Heer, dan zouden zij "rabbiyyūn" zijn met een fatḥa op de "rāʾ"; maar het betekent veeleer: de geleerden, en de duizendtallen.
* * *
En "al-ribbiyyūn" is naar ons oordeel: de talrijke scharen (62); hun enkelvoud is "ribbī", en zij vormen de schare (63).
* * *
De uitleggers verschillen over de betekenis ervan.
* * *
Sommigen van hen zeiden hetzelfde als wat wij zeiden.
*Vermelding van wie dat zei:
7957- Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van ʿĀṣim, op gezag van Zirr, op gezag van ʿAbd Allāh: "al-ribbiyyūn": de duizendtallen.
7958- Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Nuʿaym heeft ons verteld, hij zei: Sufyān al-Thawrī heeft ons verteld, op gezag van ʿĀṣim, op gezag van Zirr, op gezag van ʿAbd Allāh, hetzelfde.
7959- Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: al-Thawrī en Ibn ʿUyayna hebben ons bericht, op gezag van ʿĀṣim ibn Abī al-Najūd, op gezag van Zirr ibn Ḥubaysh, op gezag van ʿAbd Allāh, hetzelfde.
7960- Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Ḥakkām heeft ons verteld, hij zei: ʿAmr heeft ons verteld, op gezag van ʿĀṣim, op gezag van Zirr, op gezag van ʿAbd Allāh, hetzelfde.
7961- Yaʿqūb ibn Ibrāhīm heeft mij verteld, hij zei: Hushaym heeft ons verteld, hij zei: ʿAwf heeft ons bericht op gezag van iemand die het hem vertelde, op gezag van Ibn ʿAbbās betreffende Zijn uitspraak: "ribbiyyūn kathīr" ("talrijke godvruchtigen"), hij zei: talrijke scharen.
7962- Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd Allāh ibn Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī, op gezag van Ibn ʿAbbās, betreffende Zijn uitspraak: "qātala maʿahu ribbiyyūn kathīr" (64), hij zei: scharen.
7963- Ḥumayd ibn Masʿada heeft mij verteld, hij zei: Bishr ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Shuʿba heeft ons verteld, op gezag van ʿĀṣim, op gezag van Zirr, op gezag van ʿAbd Allāh: "wa-kaʾayyin min nabiyyin qutila maʿahu ribbiyyūn kathīr", hij zei: de duizendtallen.
* * *
En anderen zeiden wat volgt:-
7964- Sulaymān ibn ʿAbd al-Jabbār heeft het mij verteld, hij zei: Muḥammad ibn al-Ṣalt heeft ons verteld, hij zei: Abū Kudayna heeft ons verteld, op gezag van ʿAṭāʾ, op gezag van Saʿīd ibn Jubayr, op gezag van Ibn ʿAbbās: "wa-kaʾayyin min nabiyyin qutila maʿahu ribbiyyūn kathīr", hij zei: talrijke geleerden.
7965- Yaʿqūb ibn Ibrāhīm heeft mij verteld, hij zei: Hushaym heeft ons verteld, hij zei: ʿAwf heeft ons bericht, op gezag van al-Ḥasan betreffende Zijn uitspraak: "wa-kaʾayyin min nabiyyin qutila maʿahu ribbiyyūn kathīr", hij zei: rechtsgeleerden, geleerden.
7966- Yaʿqūb ibn Ibrāhīm heeft mij verteld, hij zei: Ibn ʿUlayya heeft ons verteld, op gezag van Abū Rajāʾ, op gezag van al-Ḥasan betreffende Zijn uitspraak: "wa-kaʾayyin min nabiyyin qutila maʿahu ribbiyyūn kathīr", hij zei: de talrijke scharen. Yaʿqūb zei: en zo las Ismāʿīl het: ("qutila maʿahu ribbiyyūna kathīr").
7967- Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: "wa-kaʾayyin min nabiyyin qutila maʿahu ribbiyyūn kathīr", hij zegt: talrijke scharen.
7968- Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Maʿmar heeft ons bericht, op gezag van al-Ḥasan betreffende Zijn uitspraak: "qutila maʿahu ribbiyyūn kathīr", hij zei: talrijke geleerden (65). En Qatāda zei: talrijke scharen.
7969- Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: Ibn ʿUyayna heeft ons bericht, op gezag van ʿAmr, op gezag van ʿIkrima betreffende Zijn uitspraak: "ribbiyyūn kathīr", hij zei: talrijke scharen.
7970- ʿAmr ibn ʿAbd al-Ḥamīd al-Āmulī heeft mij verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van ʿAmr, op gezag van ʿIkrima, hetzelfde.
7971- Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, op gezag van ʿĪsā, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid betreffende de uitspraak van Allah, machtig en verheven is Hij: "qutila maʿahu ribbiyyūn kathīr", hij zei: talrijke scharen.
7972- Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Abū Ḥudhayfa heeft ons verteld, hij zei: Shibl heeft ons verteld, op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, hetzelfde.
7973- Mij is verteld op gezag van ʿAmmār, hij zei: Ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van al-Rabīʿ: "qutila maʿahu ribbiyyūn kathīr", hij zegt: talrijke scharen.
7974- Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: Abū Zuhayr heeft ons verteld, op gezag van Juwaybir, op gezag van al-Ḍaḥḥāk betreffende Zijn uitspraak: "wa-kaʾayyin min nabiyyin qutila maʿahu ribbiyyūn kathīr", hij zegt: talrijke scharen, hun profeet werd gedood.
7975- Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Suwayd ibn Naṣr heeft ons verteld, hij zei: Ibn al-Mubārak heeft ons bericht, op gezag van Jaʿfar ibn Ḥabbān en al-Mubārak, op gezag van al-Ḥasan betreffende Zijn uitspraak: "wa-kaʾayyin min nabiyyin qātala maʿahu ribbiyyūn kathīr". Jaʿfar zei: geleerden die volhardden. En Ibn al-Mubārak zei: godvrezenden, volhardenden (66).
7976- Mij is verteld op gezag van al-Ḥusayn ibn al-Faraj, hij zei: ik hoorde Abū Muʿādh zeggen: ʿUbayd ibn Sulaymān heeft ons bericht, hij zei: ik hoorde al-Ḍaḥḥāk zeggen betreffende Zijn uitspraak: "qutila maʿahu ribbiyyūn kathīr", hij bedoelt de talrijke scharen, hun profeet werd gedood.
7977- Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: "qātala maʿahu ribbiyyūn kathīr", hij zegt: talrijke scharen.
7978- Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Ibn Isḥāq, betreffende Zijn uitspraak: "wa-kaʾayyin min nabiyyin qutila maʿahu ribbiyyūn kathīr", hij zei: en hoeveel profeten trof het doden, terwijl met hem scharen waren (67).
7979- Muḥammad ibn Saʿd heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, hij zei: mijn oom heeft mij verteld, hij zei: mijn vader heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van Ibn ʿAbbās: "wa-kaʾayyin min nabiyyin qutila maʿahu ribbiyyūn kathīr", "al-ribbiyyūn": zij zijn de talrijke scharen (68).
* * *
En anderen zeiden: "al-ribbiyyūn" zijn de volgelingen.
*Vermelding van wie dat zei:
7980- Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei betreffende Zijn uitspraak: "wa-kaʾayyin min nabiyyin qutila maʿahu ribbiyyūn kathīr", hij zei: "al-ribbiyyūn" zijn de volgelingen, en "al-rabbāniyyūn" zijn de bestuurders, en "al-ribbiyyūn" zijn de onderdanen. En hiermee berispte Allah hen toen zij van hem wegvluchtten (69), toen de duivel schreeuwde: "Voorwaar, Mohammed is gedood." Hij zei: de nederlaag vond plaats bij zijn schreeuwen op [onleesbaar]: "O mensen, voorwaar Mohammed, de boodschapper van Allah, is gedood; keert dus terug naar jullie stammen, dan zullen zij jullie veiligheid geven!" (70)
* * *
De uitleg van Zijn uitspraak: فَمَا وَهَنُوا لِمَا أَصَابَهُمْ فِي سَبِيلِ اللَّهِ وَمَا ضَعُفُوا وَمَا اسْتَكَانُوا وَاللَّهُ يُحِبُّ الصَّابِرِينَ (146) ("Zo verzwakten zij niet om wat hen trof op de weg van Allah, en zij verslapten niet en zij gaven zich niet over; en Allah heeft de geduldig volhardenden lief").
Abū Jaʿfar zei: Hij bedoelt met Zijn uitspraak, verheven is Zijn gedachtenis: "Zo verzwakten zij niet om wat hen trof op de weg van Allah", dat wil zeggen: zij werden niet machteloos — om wat hen trof van de pijn der verwondingen die hen trof op de weg van Allah (71), noch om het doden van wie van hen gedood werd — in de oorlog tegen de vijanden van Allah, en zij deinsden niet terug voor hun jihād. "En zij verslapten niet", Hij zegt: en hun krachten verzwakten niet om het doden van hun profeet. "En zij gaven zich niet over", dat wil zeggen: en zij vernederden zich niet zodat zij zich onderdanig zouden buigen voor hun vijand door diens religie binnen te treden en hem daarin te vleien uit vrees voor hem; maar zij gingen voorwaarts op hun helder inzicht en de weg van hun profeet, geduldig volhardend in het gebod van Allah en het gebod van hun profeet, en in gehoorzaamheid aan Allah en navolging van Zijn neerzending en Zijn openbaring. "En Allah heeft de geduldig volhardenden lief", Hij zegt: en Allah heeft dezen lief en wie op hen lijken, van de geduldig volhardenden in Zijn gebod en in gehoorzaamheid aan Hem en gehoorzaamheid aan Zijn boodschapper in de jihād tegen Zijn vijand — niet wie faalde en dus van zijn vijand wegvluchtte, noch wie zich op zijn hielen omkeerde en zich dus vernederde voor zijn vijand omdat zijn profeet gedood werd of stierf, noch wie door versaging tegenover zijn vijand werd bevangen en door zwakte om het verlies van zijn profeet.
* * *
En in overeenstemming met wat wij hierover zeiden, zeiden de uitleggers.
*Vermelding van wie dat zei:
7981- Bishr heeft ons verteld, hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda: "fa-mā wahanū li-mā aṣābahum fī sabīli llāhi wa-mā ḍaʿufū wa-mā istakānū", hij zegt: zij werden niet machteloos en zij wankelden niet om het doden van hun profeet. "En zij gaven zich niet over", hij zegt: zij keerden zich niet af van hun helder inzicht, noch van hun religie (72), maar zij streden voor datgene waarvoor de profeet van Allah streed, totdat zij Allah ontmoetten.
7982- Al-Muthannā heeft mij verteld, hij zei: Isḥāq heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd Allāh ibn Abī Jaʿfar heeft ons verteld, op gezag van zijn vader, op gezag van al-Rabīʿ betreffende Zijn uitspraak: "fa-mā wahanū li-mā aṣābahum fī sabīli llāhi wa-mā ḍaʿufū", hij zegt: zij werden niet machteloos en zij verzwakten niet om het doden van hun profeet. "En zij gaven zich niet over", hij zegt: en zij keerden zich niet af van hun helder inzicht (73); zij streden voor datgene waarvoor de profeet van Allah, vrede en zegeningen zij met hem, streed, totdat zij Allah ontmoetten.
7983- Muḥammad ibn al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Aḥmad ibn al-Mufaḍḍal heeft ons verteld, hij zei: Asbāṭ heeft ons verteld, op gezag van al-Suddī: "fa-mā wahanū", de godvruchtigen versaagden niet. "Om wat hen trof op de weg van Allah" — van het doden van de profeet, vrede en zegeningen zij met hem. "En zij verslapten niet", hij zegt: zij verzwakten niet op de weg van Allah om het doden van de profeet. "En zij gaven zich niet over", hij zegt: zij vernederden zich niet toen de boodschapper van Allah, vrede en zegeningen zij met hem, zei: "O Allah, het komt hun niet toe ons te overtreffen" — en وَلا تَهِنُوا وَلا تَحْزَنُوا وَأَنْتُمُ الأَعْلَوْنَ إِنْ كُنْتُمْ مُؤْمِنِينَ ("En versaagt niet en treurt niet, terwijl jullie de bovenliggenden zijn, indien jullie gelovigen zijn") (74).
7984- Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Salama heeft ons verteld, op gezag van Ibn Isḥāq: "fa-mā wahanū" om het verlies van hun profeet, "en zij verslapten niet" tegenover hun vijand, "en zij gaven zich niet over" om wat hen trof in de jihād voor Allah en voor hun religie; en dat is het geduldig volharden. "En Allah heeft de geduldig volhardenden lief" (75).
7985- Al-Qāsim heeft ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, hij zei: Ibn ʿAbbās zei: "wa-mā istakānū" ("en zij gaven zich niet over"), hij zei: zij bogen zich niet onderdanig.
7986- Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei: "wa-mā istakānū", hij zei: zij gaven zich niet onderdanig over aan hun vijand. "En Allah heeft de geduldig volhardenden lief."