Tafseer van De Dichters · Ash-Shu'araa · 26:1
Tha Sîn Mîm.
Abū Jaʿfar zei: Wij hebben elders in dit boek de meningsverschillen vermeld van degenen die van mening verschilden over de losse letters (ḥurūf al-hijāʾ) waarmee de openingen van de sūra's van de Koran beginnen, evenals het bewijs dat iedere zegsman aandroeg voor zijn uitspraak en zienswijze. Wij hebben ook uiteengezet welke uitspraak het meest aangewezen is in dit verband — op een wijze die het overbodig maakt dit hier te herhalen. Omtrent de twee letters طسم en طس zijn dezelfde meningsverschillen vermeld als omtrent الم , المر en المص .
ʿAlī ibn Dāwūd heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd Allāh ibn Ṣāliḥ heeft ons verteld, hij zei: Muʿāwiya heeft mij verteld, op gezag van ʿAlī, op gezag van Ibn ʿAbbās, betreffende zijn woord طسم — hij zei: dat is een eed die Allah heeft afgelegd, en het behoort tot de namen van Allah.
Al-Ḥasan heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons ingelicht, hij zei: Maʿmar heeft ons ingelicht, op gezag van Qatāda, betreffende zijn woord طسم — hij zei: een naam van de namen van de Koran.