Tafseer van De Profeten · Al-Anbiyaa · 21:1
Dichter bij voor de mensen is hun afrekening gekomen, terwijl zij zich in onachtzaamheid afwenden.
De verheerlijkte zegt: de berekening van de mensen over hun daden die zij in hun wereldse leven hebben verricht, en over de weldaden die Hij hun daarin heeft geschonken — in hun lichamen, gestalten, eten, drinken, kleding en andere weldaden van Hem bij hen — en Zijn vraag aan hen wat zij daarmede hebben gedaan: hebben zij Hem daarin gehoorzaamd, zich gehouden aan Zijn geboden en verboden in dat alles, dan wel Hem ongehoorzaam geweest en Zijn gebod daarin overtreden — is dichtbij gekomen. وَهُمْ فِي غَفْلَةٍ مُعْرِضُونَ: dit wil zeggen: "En zij zijn in de wereld, ten aanzien van wat Allah op de Dag der Opstanding met hen zal doen en ten aanzien van de nabijheid van Zijn afrekening met hen en het naderen ervan tot hen, in een toestand van slordigheid en onachtzaamheid, en zij hebben zich ervan afgewend — zij hebben het overdenken ervan en het zich ervoor gereedmaken en voorbereiden achterwege gelaten, uit onwetendheid over wat hen bij die gelegenheid te wachten staat aan geweldig onheil en zwaar schrikken."
Overeenkomstig wat wij zeiden over de uitleg van Zijn woord وَهُمْ فِي غَفْلَةٍ مُعْرِضُونَ spraken ook de geleerden van de uitleg, en er is een overlevering van de Profeet ﷺ.
Vermelding van degenen die dit zeiden:
Wij zijn verteld door Muḥammad ibn al-Muthannā, die zei: Abū l-Walīd heeft ons verteld, die zei: Abū Muʿāwiya heeft mij verteld, die zei: al-Aʿmash heeft ons bericht gegeven, op gezag van Abū Ṣāliḥ, op gezag van Abū Hurayra, op gezag van de Profeet ﷺ, betreffende وَهُمْ فِي غَفْلَةٍ مُعْرِضُونَ: hij zei: "In de wereld."