Tafseer van De Nachtreis · Al-Israa · 17:22
En neem geen andere god naast Allah, anders zit jij daar (O Moehammad) met verwijten (beladen) en verlaten.
Hij, verheven zij Zijn herinnering, zegt tot Zijn profeet Muḥammad ﷺ: "Stel naast Allah geen deelgenoot in Zijn godheid en in Zijn aanbidding, o Muḥammad; maar wijd de aanbidding uitsluitend aan Hem en reserveer de godheid voor Hem alleen, want er is geen god buiten Hem. Want als gij naast Hem een andere god zou stellen en naast Hem anderen zoudt aanbidden, zult gij neergaan als een door anderen gelaakte: gij zult worden wie berispend wordt over wat gij hebt verwaarloosd van de dankbaarheid jegens Allah voor de gunsten die Hij u betoonde, en wegens het richten van uw dankbaarheid tot anderen dan degene die u met goedheid heeft begunstigd, en wegens het laten meedelen in de lof van iemand die Allah niet liet meedelen in de gunst die Hij u bewees. Dan ook als verlaten, overgeleverd door uw Heer aan wie u kwaad wil — en wanneer uw Heer Die de helpers van Zijn vrienden is u verlaat, hebt gij naast Hem geen beschermer die u helpt en van u afweert."
Zo vertelde Bishr ons — hij zei: Yazīd heeft ons verteld, hij zei: Saʿīd heeft ons verteld, op gezag van Qatāda, over het woord لَا تَجْعَلْ مَعَ اللَّهِ إِلَهًا آخَرَ فَتَقْعُدَ مَذْمُومًا مَخْذُولاً: "Hij zegt: berispend in de gunst van Allah." En dit woord is, hoewel het als aanspreekvorm tot de profeet van Allah ﷺ is gesteld, in zijn bedoeling gericht aan allen die de verplichtingen van de goddelijke wet op zich hebben, onder de dienaren van Allah, de Verhevene en Almachtige.