Tafseer van De Lasteraar · Al-Humaza · 104:4
Nee! Hij zal zeker in de vernietiger gesmeten worden.
En Zijn woord: كَلَّا — de Verhevene, wiens lof groot is, zegt: Zo is het niet, zoals hij meende; zijn bezit zal hem niet onsterfelijk maken.
Vervolgens deelt de Verhevene, wiens lof verheven is, mee dat hij te gronde zal gaan en bestraft zal worden wegens zijn daden en zijn zonden, die hij in dit wereldse leven verrichtte. De Verhevene, wiens lof verheven is, zegt dus: لَيُنْبَذَنَّ فِي الْحُطَمَةِ — dat wil zeggen: hij zal op de Dag der Opstanding zeker in al-Ḥuṭama worden geworpen. Al-Ḥuṭama is één van de namen van het Vuur, zoals men het ook "Jahannam", "Saqar" en "Laẓā" noemt. Naar mijn mening is de naam al-Ḥuṭama hieraan ontleend dat het Vuur alles vermorzelt wat daarin gegooid wordt — net zoals men een vraatzuchtig iemand al-ḥuṭama noemt.
Er is overgeleverd dat al-Ḥasan al-Baṣrī dit vers als volgt reciteerde: "layunbadhāni fī al-Ḥuṭama" — dat wil zeggen: de lasteraar én zijn bezit — en dat hij het daarom in de tweevoudsvorm las.