Tafseer van Hoed · Hud · 11:75
Voorwaar, Ibrâhîm is inderdaad zachtmoedig, teder, berouwvol.
En Zijn woord: إِنَّ إِبْرَاهِيمَ لَحَلِيمٌ أَوَّاهٌ مُنِيبٌ (Voorwaar, Ibrāhīm was zachtmoedig, vol berou en terugkerend tot Allah) — Hij, verheven zij Zijn vermelding, zegt: Ibrāhīm was traag in woede, zich vernederend voor zijn Heer, eerbiedig jegens Hem, gehoorzaam aan Zijn bevel; en مُنِيبٌ (munīb) betekent: steeds terugkerend naar gehoorzaamheid aan Hem, zoals:
18349 — Al-Ḥārith heeft mij verteld, hij zei: ʿAbd al-ʿAzīz heeft ons verteld, hij zei: Isrāʾīl heeft ons verteld, op gezag van Abū Yaḥyā, op gezag van Mujāhid, over أَوَّاهٌ مُنِيبٌ : hij zei: "Al-qānit: degene die voortdurend terugkeert."
En wij hebben de betekenis van "al-awwāh" reeds uiteengezet in hetgeen voorbijging, met de meningsverschillen van de meningsverschillenden en de bewijzen voor hetgeen naar onze mening het juiste van de twee opvattingen is — op een wijze die herhaling overbodig maakt.