Tafseer of Consultation · Ash-Shura · 42:8
And if Allah willed, He could have made them [of] one religion, but He admits whom He wills into His mercy. And the wrongdoers have not any protector or helper.
Het woord over de uitleg van Zijn uitspraak, de Verhevene: وَلَوْ شَاءَ اللَّهُ لَجَعَلَهُمْ أُمَّةً وَاحِدَةً وَلَكِنْ يُدْخِلُ مَنْ يَشَاءُ فِي رَحْمَتِهِ وَالظَّالِمُونَ مَا لَهُمْ مِنْ وَلِيٍّ وَلا نَصِيرٍ (8) (En als Allah het had gewild, dan had Hij hen tot één gemeenschap gemaakt, maar Hij laat binnentreden in Zijn barmhartigheid wie Hij wil; en de onrechtplegers, voor hen is er geen beschermer en geen helper) (8).
De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: en als Allah gewild had Zijn schepping te verenigen op leiding en hen op één geloofsleer te brengen, dan had Hij dat gedaan. En لَجَعَلَهُمْ أُمَّةً وَاحِدَةً (dan had Hij hen tot één gemeenschap gemaakt), Hij zegt: aanhangers van één geloofsleer, en een gemeenschap verenigd op één religie.
Hij zegt: Hij heeft dat niet gedaan, zodat Hij hen tot één gemeenschap zou maken, maar Hij laat van Zijn dienaren binnentreden wie Hij wil in Zijn barmhartigheid. Daarmee wordt bedoeld dat Hij hem in Zijn barmhartigheid laat binnentreden door hem de bijstand te verlenen om zijn religie binnen te treden, de religie waarmee Hij Zijn Profeet Mohammed — moge Allah hem zegenen en vrede schenken — heeft uitgezonden.
Hij zegt: en de ongelovigen in Allah, voor hen is er geen beschermer (walī) die zich op de Dag der Opstanding over hen ontfermt, en geen helper (naṣīr) die hen helpt tegen de bestraffing van Allah wanneer Hij hen bestraft, zodat hij hen van Zijn bestraffing zou redden en voor hen vergelding zou nemen op degene die hen heeft bestraft. Dit is enkel gezegd tot de Boodschapper van Allah — moge Allah hem zegenen en vrede schenken — als troost voor het verdriet dat hem trof door het afkeren van zijn volk van hem, en als opdracht aan hem om geen onaangenaamheid over zichzelf af te roepen vanwege het zich afwenden van degenen onder hen die zich van hem afkeerden en niet ingingen op de waarheid waartoe hij hen opriep, en als mededeling aan hem dat de aangelegenheden van Zijn dienaren in Zijn hand liggen, en dat Hij het is die naar de waarheid leidt wie Hij wil en die laat dwalen wie Hij wil, en niemand anders dan Hij, en niemand anders dan Hij alleen.