Tafseer of The Forgiver · Ghafir · 40:8
Our Lord, and admit them to gardens of perpetual residence which You have promised them and whoever was righteous among their fathers, their spouses and their offspring. Indeed, it is You who is the Exalted in Might, the Wise.
Het woord over de uitleg van Zijn, de Verhevene, uitspraak: Onze Heer, en doe hen binnengaan in de Tuinen van ʿAdn die U hun hebt beloofd, en wie rechtschapen was van hun vaderen, hun echtgenoten en hun nakomelingen. Voorwaar, U bent de Almachtige, de Alwijze (8).
De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt, terwijl Hij bericht over het gebed van Zijn engelen voor de mensen die in Hem geloven onder Zijn dienaren, zij zeggen: o Onze Heer, en doe hen binnengaan in de Tuinen van ʿAdn — Hij bedoelt: gaarden van verblijf — die U hun hebt beloofd — Hij bedoelt: die U de mensen die zich tot Uw gehoorzaamheid hebben gekeerd hebt beloofd erin binnen te laten gaan — en wie rechtschapen was van hun vaderen, hun echtgenoten en hun nakomelingen zegt: en doe samen met dezen die berouw hebben getoond en Uw weg hebben gevolgd de Tuinen van ʿAdn binnengaan: wie rechtschapen was van hun vaderen, hun echtgenoten en hun nakomelingen, en handelde naar wat U van hem behaagt aan goede daden in het wereldse leven. En er werd vermeld dat samen met de man zijn beide ouders, zijn kind en zijn echtgenote het paradijs binnengaan, ook al hebben zij niet zijn daad verricht, door de gunst van Allahs barmhartigheid jegens hem.
Zoals Abū Hishām ons heeft verteld, hij zei: Yaḥyā ibn Yamān al-ʿIjlī heeft ons verteld, hij zei: Sharīk heeft ons verteld, op gezag van Saʿīd, hij zei: De man gaat het paradijs binnen en zegt: "Waar is mijn vader, waar is mijn moeder, waar is mijn kind, waar is mijn echtgenote?" Dan wordt gezegd: "Zij hebben niet gehandeld zoals jouw daad." Dan zegt hij: "Ik handelde voor mijzelf en voor hen." Dan wordt gezegd: "Laat hen het paradijs binnengaan." Vervolgens reciteerde hij: de Tuinen van ʿAdn die U hun hebt beloofd, en wie rechtschapen was van hun vaderen, hun echtgenoten en hun nakomelingen.
"Wie" (man) is dan, aangezien dat de betekenis is, in een accusatiefpositie als bijstelling op de "hen" (de hāʾ en mīm) in Zijn uitspraak en doe hen binnengaan. En het is toegestaan dat het een accusatief is als bijstelling op de "hen" in "U hun hebt beloofd". Voorwaar, U bent de Almachtige, de Alwijze zegt: voorwaar, U, o onze Heer, bent de Almachtige in Zijn vergelding aan Zijn vijanden, de Alwijze in Zijn besturing van Zijn schepping.