Tafseer of The Poets · Ash-Shu'araa · 26:198
And even if We had revealed it to one among the foreigners
Zijn woord: وَلَوْ نَزَّلْنَاهُ عَلَى بَعْضِ الْأَعْجَمِينَ ("En als Wij hem hadden neergezonden aan een van de niet-Arabieren"). De Verhevene, wiens lof wordt vermeld, zegt: en als Wij deze Qurʾān hadden neergezonden aan een van de stomme dieren die niet spreken. Men zegt "ʿalā baʿḍi l-aʿjamīn" en niet "ʿalā baʿḍi l-aʿjamiyyīn", omdat de Arabieren, wanneer zij een man kenmerken met onduidelijke spraak (ʿujma) en met het feit dat hij zich niet welsprekend in het Arabisch uitdrukt, zeggen: "Dit is een onduidelijk sprekende man (aʿjam)"; voor de vrouw: "Dit is een onduidelijk sprekende vrouw (ʿajmāʾ)"; en voor de groep: "Dit zijn lieden met onduidelijke spraak (ʿujm en aʿjamūn)". Wanneer deze betekenis wordt bedoeld, wordt daarmee zowel de Arabier als de niet-Arabier beschreven, omdat men daarmee slechts bedoelt dat hij niet welsprekend van tong is; en zo kan het zijn, terwijl hij toch van de Arabieren is. Tot deze betekenis behoort het woord van de dichter:
"Van Wāʾil — geen stam evenaart hen, niet onder het gewone volk, Arabieren noch onduidelijk sprekenden (ʿujm)." (4)
Maar wanneer men daarmee bedoelt de man toe te schrijven aan zijn afkomst van de niet-Arabieren (ʿajam), en niet hem te beschrijven als zijnde niet welsprekend van tong, dan zegt men: "Dit is een Perzische/niet-Arabische man (ʿajamiyy)", "Dit zijn twee niet-Arabische mannen (ʿajamiyyān)", en "Dit zijn niet-Arabische lieden (ʿajam)", zoals men zegt: "Arabier (ʿarabiyy)", "twee Arabieren (ʿarabiyyān)" en "Arabische lieden (ʿarab)". En wanneer men zegt: "Dit is een man die aʿjamiyy is", dan heeft men hem slechts aan zichzelf toegeschreven, zoals men voor de roodkleurige zegt: "Dit is een grote roodkleurige (aḥmariyy)", en zoals al-ʿAjjāj zei:
"En de tijd is met de mens een rondwentelende (dawwāriyy)." (5)
De betekenis daarvan is: rondwentelend (dawwār); hij heeft het dus toegeschreven aan zijn eigen handeling.
En in overeenstemming met wat wij hierover gezegd hebben, hebben de uitleggers van de tafsīr (ahl al-taʾwīl) gesproken.
----------------------
De voetnoten:
(4) Al-sūqa: het gewone volk dat door de koningen bestuurd wordt; daarin zijn enkelvoud en meervoud, vrouwelijk en mannelijk gelijk. Al-ʿujm, met ḍamma op de ʿayn, is het meervoud van aʿjam. Abū ʿUbayda zei in Majāz al-Qurʾān (fotokopie van de universiteit, folio 175): men zegt "rajul aʿjam" wanneer er in zijn tong onduidelijke spraak (ʿujma) is, en "rajul ʿajamiyy", dat wil zeggen: van de niet-Arabieren. En de lastdieren zijn "ʿujm", omdat zij niet spreken. En in (al-Lisān, lemma ʿ-j-m) zei Abū Isḥāq: de aʿjam is degene die niet welsprekend is en wiens spraak niet duidelijk is, ook al is hij Arabisch van afkomst, zoals Ziyād al-Aʿjam. Het vrouwelijke is ʿajmāʾ, en zo ook de aʿjamiyy. Wat de ʿajamiyy betreft, dat is degene die van het geslacht der niet-Arabieren is, of hij nu welsprekend is of niet; het meervoud is ʿajam (met fatḥa-vocalisatie), zoals ʿarabiyy en ʿarab. "Rajul aʿjamiyy" en "aʿjam" zegt men wanneer er in zijn tong ʿujma is, ook al spreekt hij welsprekend in het niet-Arabisch; en "kalām aʿjam" en "aʿjamiyy" betekent: met duidelijke onduidelijke spraak. En in de Openbaring: لِسَانُ الَّذِي يُلْحِدُونَ إِلَيْهِ أَعْجَمِيٌّ ("De taal van degene op wie zij doelen is niet-Arabisch"). Het meervoud daarvan vormt men met de wāw en de nūn; men zegt: aḥmariyy en aḥmarūn, en aʿjamiyy en aʿjamūn, naar het patroon van ashʿathiyy en ashʿathīn, ashʿariyy en ashʿarīn; en daarop slaat Zijn woord, machtig en verheven: وَلَوْ نَزَّلْنَاهُ عَلَى بَعْضِ الْأَعْجَمِينَ.
(5) Dit is een vers uit de mashṭūr van de rajaz van al-ʿAjjāj, de befaamde rajaz-dichter (al-Lisān, lemma d-w-r; en Arājīz al-ʿArab van al-sayyid Tawfīq al-Bakrī, blz. 174). Het is uit een treurig rajaz-gedicht van hem, dat hij begon met zijn woord:
"Ik weende, en de wenende neemt zijn toevlucht [tot tranen], en waarlijk, slechts het kind verlangt naar de jeugd. Voel je vervoering terwijl je een grijsaard bent (qinnasriyy)? De tijd is met de mens een rondwentelende (dawwāriyy), hij heeft de geslachten doen vergaan, en hij is taai en sterk (qaʿsariyy), en met list wordt de bedrogene bedrogen."
Hij zegt: ik weende, en hoe vastberaden was jouw geween. Al-qinnasriyy: de hoogbejaarde grijsaard. En dawwāriyy: rondwentelend, dat wil zeggen dat hij met de mens omspringt en hem in fasen en omstandigheden ronddraait. En al-qaʿsariyy: de sterke; hij bedoelt de tijd. De plaats van het bewijs ligt in zijn woord "dawwāriyy". Hij zei in al-Lisān: dat wil zeggen: rondwentelend met hem, op de wijze van het toevoegen van een ding aan zichzelf (dat wil zeggen: het toeschrijven ervan aan zichzelf, omdat dawwāriyy is afgeleid van dawwār, zodat de bewoording van datgene waaraan wordt toegeschreven gelijk is aan de bewoording van datgene wat wordt toegeschreven). Ibn Sīda zei: dit is de uitspraak van de taalkundigen. Al-Fārisī zei: het heeft de vorm van de toeschrijving (nisba), maar het is geen toeschrijving; en het is vergelijkbaar met bukhtiyy en kursiyy. En in (al-Lisān, lemma ʿ-j-m): men schrijft toe aan de aʿjam, degene in wiens tong ʿujma is, en men zegt: "lisān aʿjamiyy" en "kitāb aʿjamiyy", maar men zegt niet "rajul aʿjamiyy" zodat men hem aan zichzelf zou toeschrijven, tenzij aʿjam en aʿjamiyy dezelfde betekenis hebben, zoals dawwār en dawwāriyy, en jamal qaʿsar en qaʿsariyy; dit geldt indien het op een wijze voorkomt die zich niet laat afwijzen. Einde citaat.