Tafseer of The Rock · Al-Hijr · 15:12
Thus do We insert denial into the hearts of the criminals.
Allah, verheven zij Zijn gedachtenis, zegt: zoals Wij het ongeloof (kufr) in de harten van de partijen der vroegere volkeren deden binnendringen door het bespotten van de gezanten, zo doen Wij dat ook in de harten van de polytheïsten (mushrikīn) van uw volk die misdaad begingen door het ongeloof in Allah. لا يُؤْمِنُونَ بِهِ (zij geloven er niet in): dit betekent: zij geloven de herinnering die u neergezonden is niet. Het pronomen in Zijn woord نَسْلُكُهُ verwijst naar de bespotting van de gezanten en de verloochening van hen.
Zo heeft al-Qāsim ons verteld, hij zei: al-Ḥusayn heeft ons verteld, hij zei: Ḥajjāj heeft mij verteld, op gezag van Ibn Jurayj, betreffende كَذَلِكَ نَسْلُكُهُ فِي قُلُوبِ الْمُجْرِمِينَ : hij zei: "De verloochening."
Muḥammad ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft ons verteld, hij zei: Muḥammad ibn Thawr heeft ons verteld, op gezag van Maʿmar, op gezag van Qatāda, betreffende كَذَلِكَ نَسْلُكُهُ فِي قُلُوبِ الْمُجْرِمِينَ لا يُؤْمِنُونَ بِهِ : hij zei: "Wanneer zij verloochenden, deed Allah het binnendringen in hun harten dat zij er niet in zouden geloven."
Al-Ḥasan ibn Yaḥyā heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Razzāq heeft ons bericht, hij zei: al-Thawrī heeft ons bericht, op gezag van Ḥumayd, op gezag van al-Ḥasan, betreffende Zijn woord كَذَلِكَ نَسْلُكُهُ فِي قُلُوبِ الْمُجْرِمِينَ : hij zei: "Het toekennen van deelgenoten aan Allah (shirk)."
Al-Muthanná heeft mij verteld, hij zei: al-Ḥajjāj ibn al-Minhāl heeft ons verteld, hij zei: Ḥammād ibn Salama heeft ons verteld, op gezag van Ḥumayd, die zei: "Ik las de gehele Koran voor aan al-Ḥasan in het huis van Abū Khalīfa, en hij legde alles uit op basis van bevestiging. Ik vroeg hem over Zijn woord كَذَلِكَ نَسْلُكُهُ فِي قُلُوبِ الْمُجْرِمِينَ — hij zei: daden die zij nog zullen verrichten maar nog niet verricht hebben."
Al-Muthanná heeft mij verteld, hij zei: Suwayd heeft ons verteld, hij zei: Ibn al-Mubārak heeft ons bericht, op gezag van Ḥammād ibn Salama, op gezag van Ḥumayd al-Ṭawīl, die zei: "Ik las de gehele Koran voor aan al-Ḥasan, en hij legde haar slechts uit op basis van bevestiging." Hij zei: "Ik vroeg hem te stoppen bij نَسْلُكُهُ — hij zei: het toekennen van deelgenoten aan Allah (shirk)." Ibn al-Mubārak zei: "Ik hoorde Sufyān betreffende Zijn woord نَسْلُكُهُ zeggen: Wij leggen het."
Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei betreffende Zijn woord كَذَلِكَ نَسْلُكُهُ فِي قُلُوبِ الْمُجْرِمِينَ * لا يُؤْمِنُونَ بِهِ : hij zei: "Zij zijn zoals Allah gezegd heeft — Hij heeft hen doen dwalen en hen het geloof onthouden." Men zegt hiervan: salakahu yaslukunahu sulūkan wa-sulūkan, en aslakaahu yaslukuhu islākan. Van het sulūk-gebruik komt het woord van ʿAdī ibn Zayd:
وَكُنْتُ لِزَازَ خَصْمِكَ لَمْ أعَرِّدْ وَقَدْ سَلَكُوكَ فِي يَوْمٍ عَصِيبٍ
En van het islāk-gebruik het woord van een andere dichter:
حَتَّى إذَا أسْلَكُوهُمْ فِي قُتَائِدَةٍ شَلا كَمَا تَطْرُدُ الجَمَّالَةُ الشَّرَدَا